TULogo
Inleiding
Doel en doelgroep
Wegwijzer
Spelling en getallen
Geluid als (dis)satisfier
A. Spreken en horen
B. Theorie
C. Absorptievoorbeelden
D. Ontwerpregels
E. PDF's
F. Artikelen
G. Colofon

Schoonheid en hinder

De positieve en negatieve aspecten van geluid

 
 

1     Kritiek op onze visie van de akoestiek binnen de architectuur

In de loop der jaren zijn vele voordrachten gehouden over de onderwerpen die in deze site ter sprake komen. Vaak waren dat reguliere colleges; soms ook werd er opgetreden buiten de muren van de TU Delft. Af en toe leidden die optredens tot kritiek op mijn idee van de rol van de akoestiek binnen de architectuurpraktijk. Aan de hand van één uitspraak is het mogelijk om de geuite kritiek uiteen te zetten en vervolgens is het mogelijk om de positie te verduidelijken. Met andere woorden: welke onderwerpen zullen worden behandeld in de site en welke blijven bewust buiten beschouwing?

 

Bedoelde uitspraak is van een door de wol geverfde architect en werd geuit na een lezing over de akoestiek in zorginstellingen:

"U ziet geluid veel te veel als een dissatisfier. In mijn praktijk probeer ik de akoestiek te gebruiken om variatie aan te brengen tussen de verschillende ruimten binnen een gebouw."

 

In deze uitspraak zitten meerdere aspecten die zullen worden nagelopen alvorens te bepalen of de uitspraak terecht is en of de kritiek ter harte is genomen.

 

2.    Enkele (akoestische) begrippen

2.1    Een dissatisfier, wat is dat?

Bij veel mensen valt zes maal per week de krant op de deurmat. Gedachteloos wordt de krant opgeraapt en pas als we naar een lege deurmat staren gaan de alarmbellen rinkelen. We foeteren wat en bellen de bezorgdienst. Eigenlijk vinden we een geoliede bezorgdienst heel normaal; slechts met nieuwjaar spreken we onze waardering uit tegen de krantenbezorger via een kleine financiële bijdrage.

Dit is een typisch voorbeeld van een "dissatisfier": het valt pas op als er wat misgaat. Het tegenovergestelde begrip is een "satisfier", waar juist de positieve effecten opvallen. In onze maatschappij is het aantal dissatisfiers (helaas?) vele malen groter dan het aantal satisfiers.

 

Ook in de akoestiek kennen we dissatisfiers. Een klein reisgezelschap klaagde bijvoorbeeld eens steen en been over het lawaai en de slechte spraakverstaanbaarheid in de vertrekhal van een Iberisch vliegveld. Na een paar uur liep hetzelfde reisgezelschap vrolijk babbelend op Schiphol. Na mijn vraag of hun niet iets opviel aan het geluid in de aankomsthal waren glazige blikken mijn deel, men vond de goede akoestiek heel vanzelfsprekend. Pas na wat doorvragen begon door te dringen dat de akoestisch adviseurs van Schiphol hun werk uitstekend hadden gedaan.

De gebruikers van vliegveldgebouwen beoordelen de akoestiek in termen van de aan- of afwezigheid van lawaai en/of slechte spraakverstaanbaarheid. Maar met name bij het begrip lawaai zien we soms  sterk uiteenlopende meningen. Een motorliefhebber mag graag ronkend door de buurt rijden, terwijl andere bewoners zich ergeren omdat ze uit hun slaap worden gehouden. De motorrijder kan zelfs "genieten" van het motorgeluid en in die zin is het motorgeluid voor hem/haar een satisfier en voor de rest van de buurt een dissatisfier.

In de ruimteakoestiek vinden we satisfiers vooral in muziekzalen. Het geluid van (klassieke/populaire) muziek kan hogelijk worden gewaardeerd als architect, adviseur en geluidtechnicus een mooi klinkend resultaat hebben bereikt. Maar zelfs hier liggen merkwaardige oordelen op de loer: als er van muziek wordt genoten ligt het aan de musici, als het genieten wordt gestoord ligt het aan de zaalakoestiek of de zaalversterking.

 

2.2    Associatie, acoustical envelopes, soundscapes

Het zijn uiteraard vooral blinden die zich bewust zijn van de akoestische eigenschappen van hun omgeving. John Hull, die langzaam blind wordt, beschrijft de dagelijkse weg van zijn huis naar zijn werkplek in vijf "acoustic envelopes": zijn eigen huis met specifieke geluiden, een rustige straat met bomen en geluiden van de duiven, de oversteek van een drukke straat met veel verkeer, de geluiden van het park en tenslotte de ruimte binnen de universiteit waar hij werkt [[1]]. Hull spreekt zich ook nadrukkelijk uit over de geuren die hij daarbij ervaart. De tastzin wordt niet genoemd, maar aangenomen mag worden dat hij met een blindenstok loopt en af en toe zijn handen gebruikt ter oriëntatie.

Binnen de akoestiek werd en wordt onderzoek gedaan naar dergelijke "associaties" van geluid en omgeving. Die associaties worden dan vaak "soundscapes" genoemd in navolging van landscapes en townscapes [[2]]. Genoemde tak van akoestiek richt zich vooral op de stedenbouw, dus zoals in het boek van John Hull. De term is niet ingeburgerd voor de akoestiek in gesloten ruimten (het onderwerp van deze site), maar ook hier kunnen wel degelijk soundscapes worden onderscheiden: een slagerij klinkt anders dan een groentewinkel die weer anders klinkt dan een bakkerij.

 

 

Maar hoe onderscheiden we deze drie winkels eigenlijk? We horen allereerst de verschillende geluidbronnen: de hakbijl van de slager klinkt anders dan de groenteboer die appelen op de weegschaal gooit of de snijmachine van de bakker. Maar kunnen blinden de drie ruimten ook onderscheiden als de geluidbronnen zwijgen? Ze kunnen dat inderdaad probleemloos: de drie ruimten ruiken nl. verschillend.

Echter, als de geluidbronnen zwijgen klinken de drie ruimten ongeveer hetzelfde; indien het geluid in drie gevallen wordt geproduceerd door eenzelfde geijkte geluidbron zal het onmogelijk zijn om de soundscapes te onderscheiden. Dat wil zeggen: de ruimte is meestal akoestisch hard (veel tegelwerk voor de schoonmaak) en dus galmend. Veel winkelinrichters voegen daar een absorberend plafond aan toe, maar dat is niet specifiek gekoppeld aan één van de drie [[3]]. En zo ontstaat de belangrijkste vraag voor architecten: kunnen de drie ruimten akoestisch zodanig worden ontworpen dat er een één-op-één associatie ontstaat tussen de hoorbare ruimte en de functie? Het antwoord zal in de volgende paragrafen worden toegelicht.

 

2.3    Associatie en gewenning

In een vertrouwde omgeving vinden blinden hun weg moeiteloos [[4]]. Ze zijn gewend aan hun omgeving en kunnen verschillen in klank/galm en achtergrondgeluiden koppelen aan de plaats waar ze zich bevinden. Zienden hebben dat vermogen ook. Ze hoeven het alleen minder te gebruiken en zijn daardoor ook minder getraind.

Een bekende ruimte kan akoestisch worden gewijzigd. Er kan bijvoorbeeld geluidabsorberend materiaal worden toegevoegd waardoor de galm afneemt. Het is mij niet gelukt om onderzoeksresultaten te vinden naar de gewenning aan geluid, maar het is verbluffend om te constateren dat gebruikers van de ruimte (zowel blinden als zienden) binnen een paar dagen aan de nieuwe situatie zijn gewend. Mijn hypothese is dat het ook vrijwel niemand zal overkomen dat op het gehoor de keuken en de huiskamer abusievelijk worden verwisseld.

Maar dat betekent ook dat "associatie" niet bestaat. Er is geen algemeen geldende "soundscape" voor een huiskamer of een keuken, want het gewenningsproces zou veel langer moeten duren als er wel associatie bestond tussen het geluid van de ruimte en de overige architectonische eigenschappen.

 

In de vorige alinea was absorberend materiaal toegevoegd. Omgekeerd kan natuurlijk ook: de hoeveelheid absorptie binnen een ruimte kan drastisch afnemen als bij een verfbeurt de poriën van aanwezig absorptiemateriaal worden dichtgeverfd. Het lawaai door stemmen en/of aanwezige apparatuur kan dan dusdanig stijgen dat gebruikers gaan klagen. Dit is dus een typisch geval van een "dissatisfier", terwijl de vorige alinea een "satisfier" liet zien: we spreken een paar dagen onze waardering uit over het verbeterde akoestisch klimaat en gaan vervolgens over tot de orde van de dag.

 

2.4    Een voorbeeld: de akoestiek van winkels en restaurants

Bij het ontwerp van een winkelinterieur krijgt de akoestiek gelukkig vaak aandacht en sommige ontwerpers proberen de akoestiek te laten aansluiten bij de functie van de winkel. Kan dat? Is de akoestiek "hip" te maken, of "chic", of "goedkoop" of "duur"? Indien dat het geval zou zijn, veronderstelt de ontwerper dus een associatie tussen uitstraling/imago van de winkel en de klank.

Een "hip imago" betekende volgens de vorige architectonische trend dat het plafond tot op het betonskelet werd gestript. Geluidabsorptie ontbrak en zo’n winkel klinkt daardoor galmend en lawaaiig als die verder nog niet is ingericht. De uiteindelijke akoestiek van de winkel hangt dan vooral af van de verkochte waren. Soms zijn die behoorlijk absorberend, zoals bijvoorbeeld in een kledingwinkel, maar schoenenwinkels kunnen behoorlijk galmen, ook in ingerichte staat. Maar indien (te?) veel winkelinrichters zo'n ontwikkeling volgen, ontaardt "hip" uit de voorgaande trend al gauw tot associaties met "goedkoop", "ordinair", of zelfs "shabby", terwijl het geluid er nog precies hetzelfde klinkt.

Er zijn ook winkels in de mode met een verlaagd stucplafond waarin zich heel veel ingebouwde lampen bevinden. Dat wordt wel "chic" genoemd. Het plafond kan worden uitgevoerd in geluidabsorberende stuc, maar meestal wordt dat te duur gevonden zodat zo’n winkel behoorlijk galmt. Veel galm zou dus kunnen worden geassocieerd met een chique uitstraling, maar galm kan ook worden geassocieerd met moord in parkeergarages in Amerikaanse gangsterfilms [[5]]. En juist in de duurste winkels is het geluid meestal zeer gedempt met enkelhoog tapijt en veel plafondabsorptie. Merkwaardig is dan weer dat kledingwinkels in het allergoedkoopste segment ook rijkelijk van absorberende materialen worden voorzien, die er dan wel weer (bewust) goedkoop moeten uitzien.

 

Kortom: winkelontwerpers doen maar wat, want een één-op één-relatie tussen uitstraling en akoestiek bestaat nauwelijks. En zo kan het gebeuren dat twee Delftse filialen van een grootgruttersbedrijf tegelijk worden verbouwd, waarbij in de ene zaak het bestaande akoestisch plafond eruit wordt gesloopt en in de andere het beton juist weer wordt weggewerkt achter een systeemplafond met geluidabsorberende tegels [[6]].

En is het erg dat er maar wordt aangerommeld? Het belangrijkste akoestische doel in winkels is om met elkaar te kunnen praten, bezoekers onderling en bezoekers met winkelpersoneel. Volgens deze site hangt dat geheel af van het aantal vierkante meters geluidabsorptie per spreker en dat is in winkels eigenlijk altijd voldoende omdat het aantal sprekers er relatief laag is [[7]]. Er is dus in winkels nauwelijks een probleem en dat is dan waarschijnlijk weer de reden dat geluid in winkels zich nooit tot een deelgebied van de akoestiek  heeft ontwikkeld.

 

Een restaurant is, akoestische gezien, hetzelfde als een winkel. Maar er is één verschil: als het restaurant goed loopt is het aantal sprekers per vloeroppervlak (of liever per geluidabsorberend oppervlak) veel groter dan in een winkel. Daardoor is het geluidniveau aanzienlijk hoger en de spraakverstaanbaarheid slechter. Ook in restaurants rommelen ontwerpers vaak maar wat aan, maar dat leidt wel degelijk tot wanhopige restauranthouders. En juist in restaurants kan associatie tussen geluid en beeld een rol spelen; men kan nl. bewust een lawaaiige omgeving maken om een bepaald segment van het publiek te trekken. Maar juist hier zien we in de praktijk vaak dat wordt gewerkt vanuit het dissatisfier-model. Een restaurant heeft in de basis een galmend geluid, waarna later zoveel absorptie wordt toegevoegd dat het aantal klagers binnen de perken blijft.

 

3.    Architectonische variatie

3.1    Ontwerpen vanuit de positieve eigenschappen van geluid

In de loop der jaren hebben nogal wat TU-studenten gepoogd om te ontwerpen met soundscapes, soms voor de modale gebruiker van de ruimte, soms toegespitst op de blinde gebruiker. Deze studenten vertrokken dus ook vanuit de uitspraak die aan het begin van deze webpagina werd geciteerd: geluid zou in de architectuurpraktijk positiever moeten worden beoordeeld, liever satisfiers dan dissatisfiers.

Meestal slaagde studenten er prima in om het geluid binnen hun ruimten te optimaliseren en de variatie tussen de ruimten onderling duidelijk te maken. Ernst Kabel maakte bijvoorbeeld een film met een rondgang door zijn onderwijsgebouw waarbij de klank van iedere ruimte ten gehore werd gebracht [[8]]. Maar eigenlijk is geen enkele student erin geslaagd om een ontwerpmethode te ontwikkelen waarmee aan gebruikers van de methode duidelijk kon worden gemaakt hoe een winkel hoort te klinken of een woonkamer, een gang, een trap of een stookhok. Als Ernst Kabel een tweede onderwijsgebouw zou ontwerpen voor een andere opdrachtgever zouden de meeste ruimten anders klinken. Met andere woorden: het lukte nooit om een één-op-één-relatie te vinden tussen het geluid van een ruimte en de eigenschappen die door een architect kunnen worden beïnvloed. Herkenbare soundscapes bestaan, maar vooral bij de gratie van de aanwezige bronnen; de rol van de architect is zeer beperkt.

Het kan natuurlijk aan genoemde studenten liggen dat het vinden van een methode is mislukt of aan de kwaliteit van de begeleiders en in de toekomst zou een briljante student wel tot een oplossing kunnen komen. Maar te vrezen valt dat het eigenlijk niet kan.

 

3.2    De akoestische gereedschappen van de architect

Alle gebruikelijke bouwmaterialen (glas, hout, baksteen, beton, stuc) absorberen weinig geluid. Een ruimte die met deze materialen is uitgevoerd heeft daarom altijd een galmend karakter. Maar ook deze materialen vertonen altijd wel enige geluidabsorptie, anders zou geluid eeuwigdurend doorklinken.

Is er met dit soort materialen een hoorbare variatie mogelijk? Het antwoord ("ja") zal worden gegeven met behulp van een voorbeeld dat op een paar plaatsen in deze site zal terugkeren. Op die plaatsen zal ook dieper op het fenomeen worden ingegaan; hier volgt slechts een kwalitatieve behandeling.

Stel dat we een bepaalde ruimte tweemaal zo groot maken en alle materialen gelijk verdeeld blijven door de ruimte. Het volume wordt dan acht maal zo groot en het totale oppervlak van alle wanden en materiaaloppervlakken vier maal zo groot.

De totale geluidabsorptie van de ruimte in vierkante meters wordt ook vier maal zo groot; de nagalmtijd wordt langer, maar het geluidniveau lager. De grote ruimte klinkt anders dan de kleine; een blinde kan ze moeiteloos onderscheiden als beide ruimten binnen een gebouw voorkomen, maar ook geblinddoekte zienden hebben er weinig moeite mee. Ruimten kunnen ook naar vorm worden onderscheiden. Een langgerekte gang klinkt ander dan een vierkante kamer, maar de verschillen zijn (bij een ongeveer gelijk volume) klein en het kost blinden veel meer moeite en training om ruimten naar vorm te onderscheiden dan naar volume en ongetrainde zienden lukt het al helemaal niet. Akoestische variatie bestaat dus, zelfs als de architect verder nog niets heeft gedaan.

 

Een architect kan vervolgens (akoestisch) ingrijpen door inrichting en materialisatie. De inrichting van een ruimte met meubilair heeft altijd een verlaging van de galm tot gevolg. De verlaging kan zelfs aanzienlijk zijn indien de inrichting bestaat uit dikke vloerbedekking, stoffen meubelen en/of dikke gordijnen. De architect kan de galmverlaging bewust nastreven, maar het kan ook een toevallig gevolg zijn van zijn/haar keuzen.

Het doelbewust gebruik van geluidabsorberende materialen leidt altijd tot een afname van de galm en het geluidniveau. Die materialen behoren niet tot de standaard materialen van de architectuur en de toepassing ervan is dus altijd een bewuste architectonische ingreep. Het zorgt daardoor ook altijd voor extra werk. Sommige architecten scheppen daar plezier in, anderen vinden het een last.

Het is dus altijd mogelijk om binnen één bepaald gebouw een klankvariatie tussen de diverse ruimten te bewerkstelligen. Een blinde die het gebouw goed kent kan moeiteloos vertellen waar hij of zij zich bevindt binnen het gebouw (gewenning dus). Maar kan die blinde dat ook als hij of zij in een soortgelijk gebouw wordt geplaatst? Als soundscapes, dus met een één-op-één-relatie tussen geluid en gebruiksfunctie, zouden bestaan zou dat moeten kunnen. Maar in de praktijk werkt het slechts in zeer geringe mate.

 

4.    Conclusie: de afbakening van de site

Na voorgaande beschouwingen kan thans antwoord worden gegeven op de opmerking uit de allereerste paragraaf:

"U ziet geluid veel te veel als een dissatisfier. In mijn praktijk probeer ik de akoestiek te gebruiken om variatie aan te brengen tussen de verschillende ruimten binnen een gebouw."

 

Mijn antwoord was:

"Maar geluid is een dissatisfier. In de architectonische praktijk wordt de akoestiek altijd ingezet om de negatieve aspecten te bestrijden."

 

Dat antwoord was niet geheel juist. Er zijn wel degelijk situaties in de praktijk en in deze site waarin de positieve aspecten worden benadrukt. Met name geldt dat voor muziekzalen in allerlei afmetingen. Maar daarbij moet gelijk worden opgemerkt dat akoestische variatie in muziekzalen in de praktijk niet wordt getolereerd. Menig architect ontwerpt graag een muziekzaal en hoopt dat de bezoekers de schoonheid zullen appreciëren, maar dat is dan toch vooral omdat hij/zij zich kan uitleven op de visuele aspecten. De akoestische speelruimte is juist in een muziekzaal erg smal. De eisen aan galm, klank en achtergrondgeluid zijn zeer streng en een akoestisch adviseur is helaas gedwongen om de architect in een akoestisch keurslijf te persen.

 

Maar de kritische opmerking werd geuit na een lezing over zorginstellingen. En dan was mijn antwoord wél terecht. Wellicht wordt in een zorgcentrum een stiltecentrum gepland waar kan worden "genoten" van de rust in de ruimte, maar in de meeste overige ruimten worden toch vooral de negatieve aspecten (hoge geluidniveaus, slechte spraakverstaanbaarheid) bestreden [[9]]. En zelfs in een zorgcentrum voor blinden moet ruimschoots worden gestrooid met absorptie omdat de plaatsbepaling van een geluidbron binnen één ruimte het beste wordt gediend in akoestisch sterk gedempte ruimten.

De klankvariatie van ruimten binnen een gebouw (het tweede deel van de kritiek) is zeer nastrevenswaard. In ruimten voor blinden is variatie zelfs een voorwaarde om ruimten onderling te kunnen onderscheiden. Maar het is een lastig probleem bij het ontwerp. Het zou in een school bijvoorbeeld mooi zijn om de ontvangsthal anders te laten klinken dan de lokalen. Maar dan blijkt de hal ook te worden gebruikt voor bijeenkomsten van leerlingen en beginnen de gebruikers te "klagen" over het lawaai en de slechte spraakverstaanbaarheid. Er zit dan weer weinig anders op dan een fikse hoeveelheid geluidabsorberend materiaal te monteren. Gelukkig gaat variatie ook vaak vanzelf, zoals het voorbeeld van de twee gelijk ingerichte ruimten met verschillende schaal: volume is zeer goed hoorbaar en vorm is, na oefening, ook te onderscheiden.

Maar in de onderstaande webpagina’s van de site zal weinig te lezen zijn over soundscapes en het karakteristieke geluid van een ruimte. Er zal vooral worden geredeneerd vanuit "geluid als dissatisfier".

 

Laat ik besluiten met een woord van waardering voor de architect die de kritische noot heeft geplaatst. Het heeft mijn denken over het vak aangescherpt. En meer: hij had nagedacht over de rol van de akoestiek binnen het ontwerp. Dat is jammer genoeg allerminst gebruikelijk; het wemelt in de praktijk van dove architecten.

 

  


[1]       John M. Hull, "On sight and insight, a journey into the world of blindness", Oxford, 1990, 2001.  Het desbetreffende deel staat op pags. 206 en 207.

[2]       Helaas is de term niet eenduidig; ook binnen de muziek worden sommige stromingen als soundscape aangeduid. Dan wordt bijvoorbeeld een hele CD gevuld met het geluid van de zee, maar dat is niet wat in deze site wordt bedoeld.

[3]       In een slagerij is het, om hygiënische redenen, hoogstens wat duurder om een absorberend plafond toe te passen. Wellicht is dat een reden om zo’n plafond in een slagerij net iets vaker weg te laten.

[4]       Aannemend dat hun huisgenoten ervoor zorgen dat ze zich niet kunnen stoten aan verschoven meubilair, openstaande kastdeuren en rondslingerend speelgoed.

[5]       Het geluid in films laten we hier buiten beschouwing. Maar het is wel degelijk een zeer interessant akoestisch terrein omdat associatie juist hier een grote rol speelt. Er zijn voorbeelden gemaakt van filmscènes met drie verschillende achtergrondmuziekjes die tot een volledig verschillend sfeerbeeld leiden. In films hoort iedere keer hetzelfde type muziek bij dezelfde sfeer. Dat is een één-op-één-relatie die in de architectuur veel minder bestaat.

[6]       Dit laatste heeft mijn voorkeur al was het maar omdat alle koelinstallaties er veel minder hinderlijk aanwezig zijn. Het zou uiteraard interessant zijn om de invloed van de akoestiek op de verkoopcijfers na te gaan, maar mijn hypothese is dat het niets uitmaakt omdat de geluidniveaus binnen de perken blijven.

[7]       Het geluidniveau in een winkel kan zo laag zijn dat er muziek wordt gedraaid om te verbloemen dat de handel is stilgevallen. Wat is in dat geval het beste akoestische klimaat om klanten te trekken? Bij veel galm is er altijd nog wel wat geluid en dus enig idee van bedrijvigheid. Anderzijds valt in een sterk gedempte winkel veel minder op of er andere klanten aanwezig zijn. Dit is interessant om te onderzoeken maar hoe doe je zoiets als je de proefpersonen (het winkelend publiek) niet in de hand hebt?

[8]       De film van Ernst Kabel is hier te vinden.

           Het bijbehorende verslag vindt men hier.

           Het zou mooi zijn als veel meer studenten de klank van hun ontwerp hoorbaar zouden maken.

[9]       Het lijkt alsof spraakverstaanbaarheid een satisfier zou kunnen zijn. Maar in de praktijk zien we zelden dat wordt genoten van een goede spraakverstaanbaarheid. Die vinden we gewoon en we gaan klagen als de spraak onvoldoende te verstaan is. Alweer een dissatisfier dus.