De stembanden
Spraak is opgebouwd uit klanken die ontstaan
ter plaatse van de stembanden (de bron) wanneer lucht ontsnapt.
Spraak is opgebouwd uit lage, midden en hoge tonen. Waarbij de
belangrijkste frekwenties tussen 500- 3000 Hz zijn gelegen.

Figuur 1: De stembanden
Er zijn stemloze en stemhebbende
spraakklanken. Bij stemloze klanken worden bijvoorbeeld plofgeluiden
gemaakt door de lippen (bijvoorbeeld een p), ruis tussen tong en
verhemelte (een s) of ruis in de keelholte (een h). Klanken zijn
stemhebbend wanneer de stembanden in trilling worden gebracht. De
stembanden lopen van binnen-voorkant van een kraakbeenring boven aan
de luchtpijp naar twee kleine stukjes kraakbeen. Deze beentjes
kunnen door verschillende spieren van elkaar af of naar elkaar toe
worden bewogen. Door de stembanden dicht bij elkaar te brengen en
hier lucht langs te persen vanuit de longen ontstaat een trillend
geluid dat als basis dient voor stemhebbende klanken.
De lengte en de weefselmassa van de
stembanden en de grootte van de luchtdruk achter de stembanden
bepalen met welk tempo de trillingen (stemfrekwentie) elkaar
opvolgen. Bij mannen is dit 75-150 per seconde en bij vrouwen
tweemaal zoveel (150-250). Het geluid dat het gevolg is, is dus een
periodiek signaal met een grondfrekwentie en een serie harmonischen.
De toonhoogte-sensatie van dit complexe geluid is gebaseerd op de
grondtoon van 100 a 200 Hz; De harmonischen hebben steeds
frekwenties die een veelvoud zijn van de grondfrekwentie. Per oktaaf
(frekwentieverdubbeling) is er een afname in sterkte van ongeveer 12
dB. Figuur 2 geeft een voorbeeld van de sterkte van de grondtoon en
de boventonen.

Figuur 2: Formantenopbouw binnen een mannen-
en vrouwenstem.
De articulatoren
Het geheel van sinusvormige
luchtdrukvariaties moet het spraakkanaal passeren. Het spraakkanaal
is in essentie de keel- en mondholte. De stand van het
strottenhoofd, de huig, het verhemelte, de tong, de wangen en de
lippen bepalen de vorm van het spraakkanaal.
Elk van de holtes heeft een zekere
luchtinhoud en bij een bepaalde frekwentie geraakt de lucht in een
heftige trilling, de resonantiefrekwentie. Denk daarbij aan het
badkamereffect. Wanneer u zingt of fluit in de buurt van de
resonantiefrekwentie zal de lucht in de badkamer mee gaan trillen en
u bij uw lied ondersteunen. De badkamer is bereid te helpen zolang u
doet wat zij wil. Door de grootte en de vorm van de keel/mond holte
te wijzigen kan men de resonantiefrekwenties veranderen en de
sterkte van de frekwentiecomponenten aanpassen.
Klinkers
De stembanden zijn bij de totstandkoming van
de klinkers de enige geluidsbron; klinkers zijn dus altijd
stemhebbend. Echter, de grondtoon van de stembanden speelt
nauwelijks een rol. Via resonanties van de keel/mondholte en vooral
de stand van de tong worden juist de boventonen sterk benadrukt. Die
componenten heten formanten. Het zijn deze formanten die de klinkers
coderen. Om goed te kunnen verstaan en klinkers onderling te kunnen
onderscheiden moeten bij het horen de eerste twee duidelijk
overkomen. De eerste formant ligt altijd onder de 1 kHz en de tweede
formant onder de 2 kHz. De stand van de tong bepaalt de ligging van
deze formanten.
Qua uitspraak is er geen onderscheid te
maken tussen de mannen- en vrouwenstem, een A blijft immers een A.
Er is echter wel een verschil aan te geven:
-
Binnen de mannenstem zijn de formanten
beter gedefinieerd (duidelijker aanwezig) omdat er meer
frekwentiecomponenten aanwezig zijn. De kwaliteit is daardoor
voor de spraakverstaanbaarheid van klinkers beter.
-
De vrouwenstem heeft als voordeel dat ze
grotendeels de hoorbare (voor spraak zo belangrijke)
frekwentiegebieden beslaat.
Medeklinkers
De medeklinkers kunnen zowel stemhebbend als
stemloos zijn. Door werveling in het spraakkanaal ontstaat ruis.
Wanneer een werveling wordt aangebracht binnen een signaal zonder
stemgeluid, verkrijgt men een fricatief zoals de f of s. Door
hieraan stemgeluid toe te voegen (stemhebbend te maken) ontstaat de
v of de z. Het aanbrengen van een belemmering in het spraakkanaal en
deze plotseling weer wegnemen geeft een plosief zoals de p of t.
Echter door deze weer stemhebbend te maken krijg je een d of b.
Duidelijk zal zijn dat er op deze manier geen mooie periodieke
signalen ontstaan. De frekwenties van de bouwstenen hebben niet zo'n
fraaie relatie met elkaar als bij de klinkers. Wel zijn ze
gelijkmatig over het hele hoorbare frekwentiebereik verdeeld.
Een belangrijk verschil ten opzichte van
klinkers is dat er meer frekwentoecomkponenten boven 1000 Hz
voorkomen. Die componenten bevatten echter minder energie en dus
bevat de medeklinkerinformatie minder energie. Helaas echter wordt
in ons taalgebruik de meeste informatie door medeklinkers
overgebracht. Het missen van klinkers zou minder problemen voor het
spraakverstaan opleveren.
Kortom
W zdn wt mtn wnnn mr cht nbgrplk wrdt ht nt
We zouden wat moeten wennen maar
echt onbegrijpelijk wordt het niet.
I aa-e-ee-e o-e ie e o-e
Is daarentegen volstrekt niet te
volgen.
Klinkers hebben een hoger geluidniveau in dB
en hun informatie ligt grotendeels in de lage frekwenties.
Medeklinkers hebben een minder hoog geluidniveau en de klanken die
informatie doorgeven zijn meer in het hoge frekwentiegebied gelegen.
De verschillen in toonhoogte en intensiteit
zijn heel subtiel. Deze verschillen worden door beschadiging in het
gehoororgaan minder opgemerkt, klanken gaan meer op elkaar lijken en
worden makkelijker verwisseld. Het is echter te eenvoudig de oorzaak
van een slechte spraakverstaanbaarheid terug te brengen tot een
slecht verstaan van de medeklinkers alleen. Ook andere factoren
zoals taalgevoeligheid en snelheid van deductie spelen een rol bij
het verstaan van spraak.
Geproduceerd vermogen
Het stemorgaan is klein en levert daarom
niet veel geluidvermogen. Bij nadere beschouwing blijkt het weel
héél erg weinig te zijn. Een spreker op conversatieniveau levert
gemiddeld in de orde van 3 µW [].
Luid schreeuwen levert ongeveer duizend maal zoveel vermogen,
maar ook dan "spreken" we nog maar met een paar milliwatt. Het
leeuwendeel van dit vermogen wordt geleverd door de longen.
De onderlinge verschillen tussen
sprekers zijn enorm. Bij eigen metingen aan 16 proefpersonen is
een verschil gemeten van 12 dB tussen de zachtste en de luidste
spreker. In akoestisch vermogen is dat dus een factor 16.
Uiteraard zijn alle spieren van het
stemapparaat te trainen; zangers, acteurs e.d. doen dat ook. Aan
de stembanden zelf is echter weinig te doen. Aangezien de
omzetting van het vermogen door de longen naar het akoestisch
vermogen een laag rendement heeft, worden acteurs er op getraind
om juist dat rendement op te voeren. Verder leert een acteur
uiteraard om te articuleren, hetgeen vooral betekent dat alle
klinkers en medeklinkers duidelijk te onderscheiden moeten zijn.
Dat is bij gewone sprekers lang niet altijd het geval.