Pulsresponsie en histogram
Figuur 1 geeft een voorbeeld van een responsie
van een kubusvormige ruimte op een energiepuls. Het effect is
berekend; er wordt gesuggereerd dat de pulsen afzonderlijk zichtbaar
zijn. Aan het eind van dit hoofdstuk zal een voorbeeld worden gegeven
van een meting. Dan zal ook blijken dat de berekende pulsresponsie
helemaal niet kan worden gevonden.

Figuur 1: De berekende pulsresponsie op een
energiepuls voor een kubusvormige ruimte van 10 × 10 × 10 m3.
De rode puls geeft het directe signaal; alle
blauwe pulsen hebben minimaal één keer gereflecteerd. De energiepuls
wordt uitgezonden door een geluidbron en geregistreerd door een
mikrofoon die op 4 m afstand van de bron is gedacht. De eerste puls
heeft dus 0.012 s (dus 12 ms) nodig om de mikrofoon te bereiken. Alle
reflectiecoëfficiënten zijn 0.8.
De verticale as is logaritmisch gekozen omdat het
menselijk oor ook logaritmisch werkt. De waarde van E0 is
daarbij gekozen als 10-5 J. Eigenlijk is dat hier nog niet
van belang; het gaat slecht om de onderlinge verhouding tussen de
pulsen.
Twee eigenschappen vallen op aan de
pulsresponsie:
·
De amplitude van de latere pulsen wordt steeds kleiner. Dat komt:
○
enerzijds omdat het geluid een langere
weg heeft afgelegd,
○
anderzijds omdat het aantal reflecties toeneemt
en bij iedere reflectie gaat wat energie verloren.
·
Het aantal pulsen per tijdseenheid (de
dichtheid) neemt toe met de tijd.
De verticale as kan worden afgeleid uit de
formules uit de voorgaande webpagina's.
,
(1)
hetgeen kan worden genormeerd met de
referentiedruk tot:
,
(2)
waarin:
t =
tijd [s]
p =
geluiddruk [Pa]
pref =
referentie geluiddruk, gelijk aan 2.10-5 Pa.
r =
afgelegde weg van een puls [m]
r
= soortelijke massa van lucht [kg/m3]
c =
geluidsnelheid [m/s]
E0 =
energie van de uitgezonden energiestoot [J]
In figuur 1 is dan uitgezet:
,
(3)
Als de energie wordt uitgezonden op t =
t0 geldt bovendien:
,
(4)
In figuur 2 wordt een pulsresponsie gegeven van
een "niet-kubische" ruimte en voor een dubbele tijdsperiode (0.8 in
plaats van 0.4 s). In deze figuur is een repeterende echo te zien. Als
we een schatting maken van de tijdsafstand (dus ca. 65 ms) kan een
afstand worden teruggerekend van 20 m, overeenkomend met de afstand
tussen de kopse wanden.

Figuur 2: De berekende pulsresponsie voor
een ruimte van 20 × 8 × 5 m3. Alle reflectiecoëfficiënten
zijn 0.8. Ditmaal is het directe geluid niet afzonderlijk gekleurd.
Door de toenemende dichtheid van de
energiepulsen is de figuur van de pulsresponsie niet geschikt om de
energie goed af te lezen. Daartoe worden de pulsen telkens samengeveegd
in een interval met constante breedte. Daarbij worden uiteraard niet de
dB’s uit figuur 2 opgeteld maar de onderliggende waarden vóór
logaritmisering. Figuur 3 toont de energie zoals die uit figuur 2 is
berekend [].
Doordat het aantal pulsen toeneemt, is de afname van de geluidenergie in
figuur 3 minder steil dan in figuur 2.

Figuur 3: De energie indien de pulsen uit figuur 2
telkens worden samengeveegd in een interval met vaste breedte van
ongeveer 20 ms.
Zowel voor figuur 2 als voor figuur 3 wordt de
term “echogram” gebruikt oewel ze dus wezenlijk verschillend zijn. In
sommige ray-tracing programma’s wordt voor figuur 3 gesproken van een
“histogram”. Dat is eigenlijk de meest correcte term en we zullen ons
daaraan confirmeren.
De schroedercurve
Rond 1900 deed Wallace Sabine systematische
proeven aan nagalm met behulp van orgelpijpen. De pijp produceert een
constant niveau; de eigenlijke nagalmmeting wordt verricht als dat
geluid wordt uitgeschakeld [].
De navolgers van Sabine (dat zijn dus alle zaalakoestici van na 1900)
gebruiken meestal geen orgelpijpen, maar een luidspreker die continue
ruis produceert.
Echter, een ruissignaal is minder continu dan
men denkt: er treden wel degelijk fluctuaties op en de nagalmcurven
verschillen zichtbaar indien het proces bijvoorbeeld vier keer wordt
herhaald. Dat bracht Manfred Schroeder ertoe om het gemeten signaal
"achterwaarts" te integreren van oneindig naar de tijd t, waadoor
vooral een veel nettere curve ontstaat [].
Er ontstaat dan een tijdafhankelijke grootheid S:

Door de integratie doet het er niet toe of de
curve van figuur 2 of 3 wordt gebruikt; ze geven hetzelfde resultaat.
Als we figuur 3 als voorbeeld nemen is de schroedercurve niets anders
dan het optellen van de energiepulsen, te beginnen aan het eind. Figuur
4 geeft een voorbeeld.

Figuur 4: De schroedercurve (in rood) zoals
berekend uit figuur 3. De laatste puls is het startpunt, dan worden daar
achterwaarts steeds pulsen bij opgeteld, uiteraard voordat de schaal
wordt gelogaritmiseerd.
Zoals te zien is verdwijnen de pulsen en
schommelingen. De informatie uit figuur 3 is echter nog steeds aanwezig.
Het laatste stuk van een schroedercurve (na ca. 0.7 s) is niet te
vertrouwen. Om dat alsnog goed te krijgen is een langere meet- of
rekentijd noodzakelijk[].
Rekenen en meten
In feite staan in figuur 4 nu zowel de responsie
op een pulsvormig signaal (in blauw) als de responsie op het
uitschakelen van een continue bron in rood. Rekenmodellen die zalen
kunnen doorrekenen leveren bij hun output dan ook figuren die sterk
lijken op de figuren 2 en 4.
Echter, bij metingen wordt een iets andere weg
gevolgd.
Figuur 5 toont een pulsresponsie die in een kerk
is gemeten [].
De figuur toont de responsie van de geluiddruk op een drukpuls[],
waarbij positieve en negatieve waarden voorkomen. Er kan een geluidenergie
van worden gemaakt (zoals in rekenmodellen) door het signaal te
kwadrateren; daarmee verdwijnen automatisch de negatieve waarden. Er is
dan echter geen sprake van afzonderlijk zichtbare energiepulsen, zoals
die in figuur 1 en 2 in beeld worden gebracht. Dat komt vooral omdat de
berekende pulsen oneindig kort zijn, terwijl gemeten pulsen altijd een
minimale breedte hebben. Ze lopen daarom in elkaar over.

Figuur 5: Een pulsresponsie van de
geluiddruk zoals gemeten in een kerk met een nagalmtijd van ongeveer 7
s.
Het samenvegen van alle energie in vaste
tijdintervallen wordt geschetst in het voorbeeld van figuur 6 [].
De breedte van de intervallen is in dit geval 2 ms. Uit figuur 6 wordt
dan via een integratie weer een schroedercurve afgeleid die is getekend
in figuur 7.

Figuur 6: Een histogram verkregen door het
integreren van de energie in vaste tijdintervallen. De breedte van het
interval is ongeveer 2 ms. Er zou weer, net als in figuur 3, een
staafdiagram kunnen worden getekend, maar dat schept bij smalle
intervallen slechts verwarring. De leesbaarheid wordt beter door de
toppen van de staven met een lijn te verbinden.

Figuur 7: De schroedercurve berekend uit het
histogram van figuur 6. Let op de verdubbelde tijdas t.o.v. figuur 6.
Het histogram loopt van 0 tot 2.75 s, maar dat is niet in beeld
gebracht. Het inzakken van de curve boven 2.4 s wordt daardoor
verklaard.
Wanneer welke curve?
De allereerste curven van Sabine leken vooral op
figuur 7, maar er was één principoeel verschil: de schroedercurve is
door de integratie per definitie monotoon dalend terwijl oudere curven
veel meer slingerden en veel minder mooi reproduceerden. Daarom juist
heet Schroeder zijn curve uitgedacht. De curve uit figuur is ook ideaal
om er een nagalmtijd uit te bepalen, waarop we in het volgende deel
dieper zullen ingaan [].
De schroedercurve is echter niet geschikt voor "echo-hunting".
Figuren 5 en 6 tonen een knalharde echo rond 0.20 s. Die komt in dit
geval van de achterwand van de kerk [].
De echo is met wat moeite ook in figuur 7 te zien, maar figuur 6 is
natuurlijk veel handiger.
Echo-hunting is met name van belang in zalen
voor muziek en in dat geval zal figuur 6 een belangrijke taak
verrichten.
|
vorige theoriedeel
volgende |
|