Inleiding
Absorptie treedt op indien
trillingsenergie wordt omgezet in warmte. Dat kan indien een
vlakke plaat in trilling wordt gebracht, maar op zich leiden
trillingen niet tot energieverlies. Dat gebeurt pas als er
ergens in het systeem wrijving optreedt, bijvoorbeeld omdat de
plaat zit vastgespijkerd op een rachel en die verbinding wringt.
In de akoestische wereld heet zo’n type absorber een
“resonator”.
Een tweede vorm van absorptie geschiedt
doordat trillende lucht wrijving ondervindt in de poriën van een
poreus materiaal. Glas- en steenwol, speciaal ontworpen
stucpleisters (geen gewone stuc!) en vezelmaterialen zijn
voorbeelden die ook al elders gegeven zijn.
Een derde vorm van absorptie is de “helmholtzresonator”
waarbij gebruik wordt gemaakt van gaten of spleten in het
materiaal plus een holte in of achter het materiaal, waardoor
specifieke frekwenties worden aangestoten.
In de praktijk zien we vaak combinaties
van de drie effecten. Om plaat- of helmholtzresonatoren beter te
laten functioneren wordt dan achter het materiaal glas- of
steenwol aangebracht. Anderzijds is de absorptie van poreuze
materialen gering bij lagere frekwenties waar de resonatoren
juist beter werken [].
Figuur 1 geeft een voorbeeld van de drie basisvormen.

Figuur 1: De berekening van de
absorptie als functie van de frekwentie voor drie typen.
Een paneelabsorber bestaat uit een laag
beton (of een ander hard materiaal) waarvoor een laag lucht van
50 mm plus een plaat hout van 20 mm. Plaat en lucht vormen een
massa-veer-systeem met een eigenfrekwentie rond 63 Hz.
De gaatjesplaat bestaat ook uit een laag
beton (of een ander hard materiaal) waarvoor een laag lucht van
50 mm plus een plaatmateriaal van 20 mm. Nu zijn er in de plaat
gaatjes geboord van 10 mm op een afstand van 30 mm. Er ontstaan
helmholtzresonatoren die een eigenfrekwentie hebben rond 400 Hz.
De luchtlaag bevat glaswol voor interne wrijving.
De zwarte lijn geeft de resultaten van een
laag beton waarop een laag absorptiemateriaal (glaswol of
steenwol bijvoorbeeld) van 50 mm is aangebracht zonder verdere
deklaag.
Paneelabsorbers komen in ons segment van
de ruimteakoestiek nauwelijks voor. Ze werken niet in het gebied
van de spraakfrekwenties (250 tot 4000 Hz) en zullen daarom
verder niet worden besproken [].
De andere twee zijn wel van essentieel belang. Met name
gaatjesplaten zijn in de hedendaagse architectuur tamelijk
populair, maar de figuur laat al zien dat de basisvormen niet
erg goed werken bij frekwenties rond 2000 Hz die voor de
spraakverstaanbaarheid essentieel zijn.
De literatuur wemelt van beschrijvingen
van de theorie achter absorptiematerialen. Nederlandstalige
voorbeelden zijn Jellema 7a (1984) en Van der Linden (2006).
Verder leidt een zoektocht op het internet tot een veelheid aan
sites van fabrikanten van absorberende materialen (soms
inclusief theoretische achtergronden), waarbij de prachtigste
materialen worden getoond. Probleem is dat die sites zelden of
nooit prijzen geven en sommige materialen kunnen zeer wel aan de
prijs zijn (meer dan €100 per m2 bijvoorbeeld) [].
Openingsgraad van absorptiematerialen
De absorptie van geluid door een poreuze
plaat bestaat (in de ruimteakoestiek) uit transmissie (het
geluid gaat door het materiaal) en “echte” absorptie waarbij
trillende luchtmoleculen wrijving ondervinden in poriën. Figuur
2 is al eerder getoond.

Figuur 2: In een ruimte telt alleen
de reflectie van het geluid. Het complement bestaat uit
absorptie plus transmissie. Dit totale effect wordt (dus
eigenlijk foutief) absorptie genoemd [].
Voor de eigenlijke absorptie zijn de
afmetingen van de openingen essentieel. Indien de poriën te
groot zijn ondervindt de trillende lucht nauwelijks wrijving;
indien de poriën te smal zijn dringt de trillende lucht niet
binnen. Dit laatste is helaas het geval bij hout. Het effect is
getekend in figuur 3.

Figuur 3: De afmetingen van poriën
dienen in de orde te zijn van de trillende lucht. In het
onderste geval zijn de poriën te klein en nadert de
reflectiecoëfficiënt tot 1.0.
De afmetingen van de poriën zijn te
meten door een continue stroom lucht door een materiaal te
blazen en het drukverschil te bepalen. De resulterende grootheid
heet de “stromingsweerstand”. Ook bijvoorbeeld de vorm van de
poriën en de structuur van het rooster hebben invloed, maar de
stromingsweerstand bepaalt toch minimaal driekwart van het
effect [].
Laagdikte
Als de poriën te groot zijn is er weinig
absorptie, maar de transmissie is hoog. De reflectiecoëfficiënt
is dan laag, zodat het materiaal zeer geschikt lijkt. Echter, in
de meeste bouwkundige constructies ontmoet het doorgelaten
geluid een harde laag (beton, hout, staal, steen), waartegen het
geluid alsnog wordt gereflecteerd. Het gereflecteerde geluid
loopt op de terugweg weer dwars door de plaat heen, zodat het
resultaat slecht is (figuur 4)

Figuur 4: Bij open materialen doet
een reflecterende achterwand het effect teniet.
Door dit effect is de stromingsweerstand
van het materiaal in relatie tot de laagdikte essentieel. En dat
hangt dan weer af van de frekwentie. Figuur 5 geeft een
voorbeeldberekening van een laag absorptiemateriaal op een laag
beton. In de lage frekwenties speelt de absorberende laag geen
enkele rol, het geluid gaat er dwars doorheen en reflecteert aan
de achterwand. In de hoge frekwenties is de laagdikte altijd
goed genoeg; voordat het geluid de achterwand bereikt is het al
volledig in warmte omgezet.

Figuur 5: De absorptiecoëfficiënt
van een laag absorptiemateriaal op een laag beton hangt af van
de frekwentie.
Het blijkt dat er een sterk verband is
tussen de golflengte van het geluid en de laagdikte. Dat wordt
getoond in figuur 6. Als de laagdikte wordt verdubbeld halveert
bijvoorbeeld de frekwentie waarbij
a = 0.4. De laag met
wiggen in een geluiddode ruimte zijn dus niet voor niets 1 m
dik. Daardoor worden ook frekwenties in de buurt van 70 Hz nog
redelijk geabsorbeerd.

Figuur 6: De absorptiecoëfficiënt
van een laag absorptiemateriaal op een laag beton schaalt met de
laagdikte.
De consequenties voor de bouw zijn
tamelijk vervelend: dunne lagen vloerbedekking zijn bijvoorbeeld
zinloos als absorptiemateriaal, met name voor de
spraakfrekwenties tussen 250 en 4000 Hz. Er is in de praktijk
wel degelijk te stoeien met de interactie van absorptiedikte en
stromingsweerstand, maar eigenlijk is in de bouwpraktijk een
laagdikte van 15 mm toch wel het absolute minimum.
Luchtlaag tussen harde en absorberende
laag; de "afhanghoogte"
De luchtlaag tussen een plaat
absorptiemateriaal en de achterliggende constructie (beton
bijvoorbeeld) heeft een flinke invloed. In figuur 7 wordt dat
geïllustreerd. De rode lijn geeft een laag absorptiemateriaal
van 20 mm direct op beton. De blauwe lijn geeft 100 mm absorptie
op beton. Zoals eerder gesteld is die dus veel beter.
Voor de tussenliggende groene lijn is de
laag van 100 mm verdeeld tussen 80 mm lucht en 20 mm absorptie.
Die constructie doet het niet zo goed als de blauwe lijn, maar
toch veel beter dan de rode lijn.

Figuur 7: De absorptiecurven voor
drie constructies met een harde achterwand, bijvoorbeeld van
beton.
De rode lijn wijkt af van de voorgaande
figuren. Daar was één invalshoek gebruikt; in de huidige figuur
is "alzijdige inval" berekend [].
In de praktijk wordt het effect vooral
toegepast bij plafondplaten en daarom heet dit meestal de
afhanghoogte. Maar hier staat ook de verklaring waarom goed
uitgezochte gordijnen (met relatief hoge stromingsweerstand en
opgehangen in plooien) verrassend goed kunnen absorberen.
Een gaatjesplaat op een absorberende
laag
Tot nu toe zijn "kale" platen
absorptiemateriaal behandeld. Thans plaatsen we voor het
absorptiemateriaal een plaat voorzien van gaatjes. De lucht in
de gaatjes veert op de achterliggende luchtlaag en vormt een "helmholtzresonator"
[].
Figuur 8 geeft een tekeningetje. In figuur 9 wordt het effect
doorgerekend voor een plaat van 16 mm dik waarin gaatjes zijn
geboord met een diameter van 4 mm. De absorptielaag is 50 mm
dik.

Figuur 8: Een voorbeeld van een
gaatjesplaat voor een harde constructie (beton bijvoorbeeld). De
luchtspouw tussen de harde laag en de gaatjesplaat is gevuld met
een absorptiemateriaal.

Figuur 9: De absorptiecoëfficiënt ,
bij alzijdige inval, voor een plaat van 16 mm dik waarin gaatjes
zijn geboord met een diameter van 4 mm. De absorptielaag is 50
mm dik. De gatafstand is als parameter gebruikt. De
openingsgraden zijn respectievelijk 12, 3 en 0.5% voor 10, 20
en 50 mm gatafstand.
De blauwe lijn geeft de absorptiecurve
voor een kale plaat van 50 mm absorptiemateriaal. Zo'n curve is
al meerdere malen getoond in de voorgaande figuren. De andere
drie curven tonen telkens een piek bij de helmholtzfrekwentie,
waarboven de absorptie weer drastisch afneemt. Dat komt omdat de
absorptie in de zeer hoge frekwenties niet hoger kan zijn dan de
openingsgraad, gedefinieerd als het oppervlak van de gaten
gedeeld door het totale oppervlak. Indien vooral de
spraakverstaanbaarheid optimaal moet zijn doen de gebruikelijke
gaatjesplaten het dus meestal niet geweldig omdat de absorptie
bij 1000 en 2000 Hz te laag is.
De gatafstand heeft een paar effecten:
-
Bij een kleinere gatafstand stijgt
de helmholtzfrekwentie omdat het achterliggende volume per
gat kleiner wordt.
-
Bij een kleinere afstand stijgt de
openingsgraad waardoor een betere hoogfrekwente absorptie
wordt bereikt.
-
Bij hele kleine gatafstanden
(bijvoorbeeld 5 mm afstand bij 4 mm gaten) nadert de
absorptiecurve tot die van een kale plaat. Dan is de
openingsgraad zo hoog dat we beter van een rooster kunnen
spreken dat slechts dient te bescherming van de
absorptielaag.
Het moge duidelijk zijn dat het
ontwerpen van een gaatjesplaat specialistenwerk is en dat een
plaat ook eigenlijk altijd moet worden doorgemeten.
Absorptie in de luchtlaag
De luchtlaag tussen beton en
gaatjesplaat moet gevuld zijn met absorptiemateriaal.
Ergens in het systeem moet namelijk akoestische energie worden
omgezet in warmte en dat lukt altijd het beste in een materiaal
met poriën. Het effect wordt geïllustreerd in figuur 10 waarin
de paarse lijn een gevulde spouw laat zien en de rode een spouw
gevuld met lucht. Het is duidelijk dat die constructie zinloos
is als absorber.

Figuur 10: De invloed van absorptie
in de spouw. De rode lijn geeft volledige vulling net als in
figuur 9. Bij de zwarte lijn is de vulling weggelaten. De paarse
en de blauwe lijn zijn precies hetzelfde als die in de
voorgaande figuur.
Figuur 10 geeft het grote verschil
tussen een lege en een volledig gevulde laag, zodat onmiddellijk
de vraag zich opdringt in hoeverre een gedeeltelijk gevulde
spouw bruikbaar is. Figuur 11 geeft de situatie waarin een
luchtlaag zich direct achter de gaatjesplaat bevindt en figuur
12 geeft de invloed van de laagdikte zoals berekend met het
model.

Figuur 11: Direct achter de
gaatjesplaat bevindt zich een luchtlaag die de werking van de
absorptielaag teniet doet.

Figuur 12: De invloed van een
luchtlaag achter de gaatjesplaat op de absorptiecoëfficiënt.
Wederom is de absorptielaag 50 mm dik. De plaat is 16 mm en de
gaten hebben een diameter van 4 mm. In tegenstelling tot figuur
10 is ditmaal de gatafstand gelijk aan 10 mm gekozen, dus de
groene curve uit figuur 9.
Het model voorspelt volgens figuur 12
dat een luchtlaag moet worden voorkomen. Een luchtlaag van 50mm
maakt het materiaal zelfs vrijwel onbruikbaar. Toch komen die
constructies in de praktijk wel degelijk voor. Er wordt dan
glaswol aan de betonnen onderlaag bevestigd waarna een
gaatjesplaat er los voor wordt gemonteerd.
In figuur 13 zit de luchtlaag aan de
andere kant. Dat werkt wél heel aardig. Er ontstaat dan een
effect dat we eigenlijk ook reeds in figuur 7 hadden laten zien.

Figuur 13: Een constructie waarbij
het absorberend materiaal aan de achterzijde is aangedrukt tegen
de gaatjesplaat verdient verre de voorkeur boven de constructie
uit figuur 11, waar de luchtlaag aan de verkeerde kant zit.
Dunnere gaatjesplaten
In de formule voor de
helmholtzfrekwentie vinden we (o.a.) de gatdiameter en de
plaatdikte terug. Als de gatdiameter met een factor 4 wordt
verkleind, daalt het gatoppervlak met een factor 16. Indien we
vervolgens de dikte met een factor 16 verkleinen vinden we
dezelfde helmholtzfrekwentie. Een plaat van 1 mm dik met gaatjes
van 1 mm doorsnede geeft dus vrijwel dezelfde curven als de
plaat van 16 mm dik met gaatjes van 4 mm doorsnee uit figuur 9.
Echter, daartoe moet een materiaal in de spouw worden gekozen
dat opener is van structuur (lagere stromingsweerstand) dan bij
een dikke gaatjesplaat.
Als daarentegen de gatafstand wordt
verkleind nadert de absorptie van het systeem tot die van de
kale plaat. Dan kan beter de stromingsweerstand van de
absorberende laag worden opgevoerd. Het moge duidelijk zijn dat
het ontwerpen van absorberende constructies specialistenwerk is
en zelfs dan willen bij nameting nog wel eens verrassingen
blijken.
Onderhoud?
Gaatjesplaten hebben één geweldig
voordeel: ze zijn veel makkelijker te onderhouden dan poreuze
materialen. Die laatste beantwoorden na vijf of tien jaar vaak
niet meer aan het ideaalbeeld dat de architect voor ogen had,
omdat de poreuze structuur makkelijk leidt tot stof en
vochtplekken. Ouderwetse stucplafonds zijn een bekend voorbeeld
en de stucindustrie heeft daarom hedendaagse materialen
ontwikkeld die bij nadere beschouwing []
zo dicht zijn als glas. Akoestisch gezien is die ontwikkeling
een ramp, een moderne gestucte ruimte galmt net zo hard als een
glaspaleis. Anderzijds is er de laatste jaren vooruitgang
geboekt bij de ontwikkeling van akoestisch (spuit)pleisters. Zij
vormen een goed alternatief maar zijn vaak niet goedkoop []
en moeten ook minimaal in lagen van minimaal 15 mm worden
toegepast.
Het simpelweg verven van absorberende
lagen bij een onderhoudsbeurt is uit den boze omdat de poriën
worden gedicht. Sommige materialen kunnen wel degelijk worden
opgefrist, bijvoorbeeld door de verf te vernevelen, maar het
onderhoudsvoorschrift wil na tien jaar nog wel eens zijn
zoekgeraakt. Vervanging van het materiaal is dan de enige optie.