Energieverliezen bij geluidvoortplanting
In het voorgaande theoriedeel over de nagalmtijd hebben
we afgeleid hoe geluid uitklinkt in een galmende ruimte. Dat was het
eenvoudigste te illustreren met een pulsvormig geluid, een klap in de handen
bijvoorbeeld. Het uitklinken wordt veroorzaakt door energieverlies; indien
nergens in het systeem geluidenergie in warmte wordt omgezet, zou het geluid
eeuwig te horen zijn.
Bij de afleiding van de nagalmtijd werd het
energieverlies uitsluitend veroorzaakt door absorptie van de wanden. Maar er is
in de praktijk nog een fenomeen dat voor energieverlies zorg draagt: de onderlinge
wrijving van de trillende moleculen in de lucht. Het wordt daarom
"luchtabsorptie" genoemd. Bij nader onderzoek blijkt de wrijving
vooral te worden veroorzaakt door de watermoleculen die altijd aanwezig zijn in
gewone lucht; droging van de lucht brengt het effect drastisch omlaag. De alternatieve
term "vochtabsorptie" komt daarom in het spraakgebruik ook vaak voor.
Luchtabsorptie als functie van de afstand en de frekwentie
Het verlies door luchtabsorptie blijkt toe te nemen met
de afstand. We zullen hier niet dieper ingaan op de theorie achter het fenomeen
[[1], [2]], maar
poneren slechts de formule. Dan blijkt het geluidvermogen exponentieel af te
nemen met de afstand x, zodat het kwadraat van de geluiddruk p op
afstand x kan worden geschreven als:
. (1)
De grootheid m, die dus de afname vertegenwoordigt, blijkt voor
het overgrote deel afhankelijk van de relatieve vochtigheid van de lucht en de
frekwentie van het geluid. De luchttemperatuur is ook onderdeel van de (empirische)
formules, maar speelt nauwelijks een rol indien we ons beperken tot het gebied
tussen 15 en 30 graden celsius.
Formule (1) kan op de gebruikelijke manier (via een
10log) worden omgeschreven tot het geluiddrukniveau Lp in dB:
, (2)
hetgeen kan worden geschreven als:
, (3)
De luchtabsorptie in dB blijkt dus recht evenredig met
afstand.
Formule (3) zullen we iets ander schrijven. Daartoe
definiëren we:
, (4)
waarna formule (3) overgaat in:
. (5)
Dan wordt ook duidelijk waarom g is ingevoerd, want die geeft nu de demping in dB/m. Figuur
1 geeft een uitdraai van de formules voor g
zoals die zijn vastgelegd in een normblad [[3]] voor vier verschillende
waarden van de relatieve vochtigheid [[4]].

Figuur 1: De dempingsfactor g in dB/m als functie van de frekwentie bij vier waarden van de
relatieve vochtigheid in procenten. De temperatuur is gelijk aan 20 graden celsius.
Om de waarden van m te vinden moeten de getallen
langs de verticale as door 4.34 worden gedeeld.
Figuur 1 laat zien dat g
en de relatieve vochtigheid een enigszins gecompliceerd verband hebben: bij
ieder frekwentiegebied hoort een ander maximum van de relatieve vochtigheid. Als
functie van de frekwentie zien we een zeer sterke toename met oplopende
frekwentie. Bij 1000 Hz en 70% is de demping 0.005 dB/m, bij 10 000 Hz is dat
opgelopen tot 0.12 dB/m, dus meer dan het twintigvoudige.
Is het effect ook merkbaar?
In de buitenlucht kan het effect van groot belang zijn.
Bij een afstand van 1 km is de reductie 5 dB, maar op 8 km stijgt dat tot 40
dB. Luchtabsorptie redt ons bijvoorbeeld van een heleboel vliegtuiglawaai.
In een schoolklas met een nagalmtijd van 0.5 s is de
loopweg gelijk aan 170 m als t gelijk is aan de nagalmtijd. Bij 4 kHz is
de demping dan 3.9 dB. Boven die frekwentie is de demping veel hoger, maar daar
liggen niet de belangrijkste spraakfrekwenties. Het effect mag dus gevoeglijk worden
verwaarloosd.
Echter, in een concertzaal met een galmstaart van 2 sec
vinden we een loopweg van 680 m en bovendien zijn de frekwenties van 8 en 16
kHz daar belangrijker. We vinden dan (bij 70% vochtigheid) respectievelijk 53
en 191 dB demping. Als we dat vergelijken met de 60 dB afval van de nagalmtijd,
wordt de afval dus ongeveer verdubbeld bij 8 kHz, terwijl bij 16 kHz de nagalm
verre in het niet valt bij de luchtabsorptie.
Herberekening van de nagalmtijd inclusief luchtabsorptie
In de voorgaande webpagina over de nagalmtijd was de
uitklinkcurve van een pulsvormig geluid geschreven als:
, (6a)
waarin:
. (6b)
Hierin geldt:
t = looptijd
r =
soortelijke massa van lucht
c = geluidsnelheid
in lucht
E0 = de energie van
de geluidpuls
V = volume van de ruimte
S = totale oppervlak van
wanden, plafond, etc.
R = gemiddelde
reflectiecoëfficiënt van de wanden
De index "eyr" slaat op de afleiding van
Eyring, die (theoretisch gezien) superieur bleek boven die van Sabine. Toch
gaan we hier over op de Sabine-waarde, vooral omdat later zal blijken dat die
veel meer wordt gebruikt bij metingen. We schrijven dan:
, (7)
hetgeen geoorloofd is bij relatief lage waarden van de
absorptiecoëfficiënt a.
Dan vinden we dus in plaats van formule (6b):
. (8)
Nu wordt aan formule (6a) de luchtabsorptie uit formule
(1) toegevoegd:
, (9)
waarbij we dus van de afstand x uit formule (1)
zijn overgegaan op de tijd t via de geluidsnelheid c. We kunnen
nu dus een gecombineerde dempingsterm btot
schrijven als:
. (10)
Om hieruit de nagalmtijd te berekenen over 60 dB, grijpen
we terug op de voorgaande webpagina. Er gold en geldt:
, (11)
hetgeen, na invulling van vergelijking (10), overgaat in:
, (12a)
waarin de factor 0.16 weer geldt bij kamertemperatuur als
c = 343 m/s.
Indien we een waarde hanteren in dB/m, boven aangeduid met
g en uitgezet in figuur1, vinden
we een coëfficiënt die 4.34 maal zo groot is:
. (12b)
Formule (12a) wordt het meest gebruikt in de literatuur,
maar formule (12b) is net wat handiger omdat de gebruikelijke rekenmodellen het
antwoord geven in dB/m, hetgeen dus rechtstreeks in de formule kan worden
ingevuld.
Aangepaste absorptiecoëfficiënt
Uitgaande van formule (10) kan ook worden gewerkt met een
soort aangepaste formule van de absorptiecoëfficiënt:
, (13)
Dit is eigenlijk de grootheid die in het overgrote deel
van deze site wordt toegepast; we bekommeren ons vooral om het totale effect
als we eisen stellen aan een minimale waarde van de
absorptiecoëfficiënt. In een groot aantal ruimten (een klaslokaal of
een restaurant bijvoorbeeld) doet de tweede term ook nauwelijks ter zake.
Echter, een onderscheid tussen de twee effecten moet,
vooral in grotere zalen, wel degelijk worden gemaakt indien een architect
specifieke materialen wil bestellen. In de opgaven van de fabrikant worden nl. de
"echte" absorptiecoëfficiënt α vermeld. Dat
moet ook wel, want pas als de afmetingen van de ruimte (V en S)
bekend zijn kan de totale waarde αtot worden becijferd.
Die totale waarde atot
wordt vervolgens altijd (iets) groter dan a.
Dat kan een prettig effect zijn (in een groot restaurant of een sportzaal
bijvoorbeeld), maar soms kan dit effect ongewild zijn (in een concertzaal).
De conventies in deze site
In deze site staan nogal wat berekeningen waarbij "de"
absorptiecoëfficiënt wordt gebruikt. Daarbij wordt steeds αtot
bedoeld. Als dan na een berekening bijvoorbeeld plafondplaten moeten worden
besteld bij een fabrikant, moet de waarde van α opgegeven. Die is altijd
lager, maar in de dagelijkse praktijk zijn de verschillen marginaal. Slechts bij
grote ruimten (een sporthal of een concertzaal) bestaan significante verschillen
en dan ook nog vanaf 4000 Hz. Als we uitgaan van de gebruikelijke
spraakfrekwenties van 500 en 2000 Hz en de gebruikelijke ruimten (een
schoolklas, een restaurant of een sportzaal van gemiddelde afmetingen) kunnen we
het verschil tussen beide waarden verwaarlozen.
|
vorige theoriedeel volgende
|
|