De formules
Als een fabrikant een nieuw absorptiemateriaal heeft
uitgevonden wil hij of zij graag weten wat de absorptiecoëfficiënt
is. Daartoe wordt altijd een meting gedaan van de nagalmtijd waarna de
absorptiecoëfficiënt wordt teruggerekend. Uit de voorgaande webpagina
leren we:
, (1)
waarin:
T = de (gemeten)
nagalmtijd
c = de
geluidsnelheid
V = het volume van de
ruimte
S = het totale oppervlak
van alle wanden
m = de wrijvingsterm van
de luchtabsorptie
a =
de absorptiecoëfficiënt die we willen weten
De waarden van c en m zijn afhankelijk van
druk, temperatuur en relatieve vochtigheid, zodat die grootheden bij een
"echte" meting ook altijd worden bepaald [[1]].
Als a
wordt teruggerekend uit formule (1), vinden we:
. (2)
Allereerst wordt een nagalmmeting gedaan in een lege
ruimte. Een berekening volgens formule (2) levert vervolgens aleeg . Vervolgens wordt een monster
van meestal 12 m2 in de ruimte gesjouwd en wordt nog een meting
gedaan. De resulterende absorptiecoëfficiënt noemen we atotaal.
De gezochte absorptiewaarde amonster kan vervolgens worden berekend omdat (bij
12 m2) geldt:
. (3)
Formule (1) is het gevolg van de nagalmtijdformule van
Sabine. Zoals steeds is er weer een pendant als gevolg van de Eyring-afleiding.
Dan moeten we a in de formule
vervangen door -ln(1-a), zodat
de formule overgaat in:
. (4)
Eisen aan de meetruimte
De theorie van Sabine en Eyring stoelt op de
"diffusiteit" van de ruimte. Dat wil zeggen dat de verdeling van
richtingen waaruit het geluid zich voortplant zo homogeen mogelijk verdeeld is.
Om dat effect bij hoge frekwenties te bereiken worden de wanden en het plafond
van een echte meetruimte meestal scheef gezet ten opzichte van elkaar. Verder
worden er "diffusoren" opgehangen die het effect nog eens versterken.
Een derde truc is om de absorptiecoëfficiënt van de ruimte zo laag
mogelijk te kiezen door de (betonnen) wanden zorgvuldig te verven. De diffusiteit
stijgt dan doordat de invloed van het directe geluid klein wordt in verhouding
tot de galmenergie.
Echter, in de lage frekwenties gaat het “altijd”
fout: de verdeling van de richtingen is dan niet meer optimaal. Die overgang
van lage naar hoge frekwenties hangt vooral af van het volume van de ruimte,
aannemende dat de ruimte niet te veel afwijkt van een vervormde kubus. Hoe
groter de ruimte, des te beter het laagfrekwente gedrag. De ruimte van de TU
Delft heeft bijvoorbeeld een volume van 200 m3 (en een oppervlak van
200 m2), waarmee de diffusiteit vanaf 250 Hz uitstekend is. Bij 125
Hz moet goed worden opgelet en bij 63 Hz neemt de onnauwkeurigheidsmarge toe.
In een ideaal diffuse ruimte is ook de verdeling van het
geluiddrukniveau volledig homogeen. In de praktijk zijn er echter wel degelijk
verschillen meetbaar. Het niveau loopt op indien men de bron of de wanden
nadert, maar ook in de rest van de ruimte zijn lokale verschillen meetbaar. De
meest toegepaste maatregel tegen deze problemen is het middelen over
verschillende mikrofoonposities. Daartoe wordt de mikrofoon meestal opgehangen
in een ronddraaiende mikrofoonhengel, maar het middelen over voorgeschreven
meetposities is volgens de norm ook toegestaan.
Absorptiecoëfficiënten groter dan 1.0
In de bouwdocumentatie komt men geregeld
absorptiecoëfficiënten tegen die groter zijn dan 1. Dat kan eigenlijk
niet want de theorie berekent een quotiënt tussen invallende en
gereflecteerde energie en dat is dus een getal tussen 0 en 1 [[2]]. Echter,
bij een strikte toepassing van de regels en bovenstaande formules kunnen er wel
degelijk getallen groter dan 1 uitrollen. We zullen een paar oorzaken nalopen.
1. Gebrek aan diffusiteit bij
aanwezigheid van het te meten monster
Er is iets merkwaardigs met de diffusiteit van de
meetruimte. Een monster wordt meestal aaneengesloten op de vloer van een
nagalmkamer gelegd. Vervolgens moeten van de norm zoveel diffusoren worden
opgehangen dat de nagalmtijd minimaal is. Daarmee wordt echter een continue
energiestroom vanuit de luidsprekers (die meestal bovenin de ruimte hangen)
naar het monster op gang gebracht, zodat een verticale voorkeursrichting
ontstaat en de diffusiteit dus wordt gestoord. Het effect kan zelfs worden
nagebootst in een ray-tracing model van een nagalmkamer met een monster op de
vloer [[3]].
Het monster krijgt bijvoorbeeld 95% absorptie toegekend en aan de hand van de berekende
nagalmtijden wordt (via bovenstaande formules) de resulterende
absorptiecoëfficiënt berekend. Die blijkt dan altijd groter dan 95% en
kan zeer wel boven 1 uitkomen [[4]].
2. Sabine versus Eyring
Eyring's formule levert altijd wat lagere nagalmtijden
dan de formule van Sabine bij één gegeven absorptiecoëfficiënt.
Omgekeerd geldt dat ook: de absorptiecoëfficiënten die we vinden bij
toepassing van Eyring’s formule (4) zijn lager dan die van Sabine volgens
formule (1). Echter, beide formules kunnen waarden geven groter dan 1. Als
bijvoorbeeld bij gegeven nagalmtijd Sabine uitkomt op 1.10, komt Eyring uit op
1.05.
Al eerder hebben we Eyring's formule nauwkeuriger genoemd
dan Sabine's formule. Toch moet men van de normbladen Sabine's formule gebruiken. Dat is
waarschijnlijk historisch gegroeid en we kunnen
ons dus maar beter conformeren aan de bestaande traditie, want daardoor is ook een
vergelijking tussen oudere en nieuwere materialen mogelijk. Nadeel is het
gebruik in ray-tracing modellen; die resulteren bij terugrekening altijd in een Eyring-waarde.
3. Het randeffect
Figuur 1 toont een (hypothetische) situatie waarbij een
absorberend monster in een gat in de betonnen vloer van de meetruimte is
aangebracht.

Figuur 1: Een theoretisch model waarin een
absorberend monster in een gat in de betonnen vloer van de meetruimte is
aangebracht.
Indien we met een
mikrofoon M vlak boven de vloer bewegen zullen we een verschil in geluidruk
waarnemen boven het monster tussen de lijnen A en B vergeleken met de geluiddruk
boven de betonnen delen. De grenzen zijn echter niet scherp, maar vertonen een
zekere continuïteit. Omdat de golflengten van geluid vrij groot zijn is die
overgang relatief breed; bij een optisch systeem zou zo’n overgang bijvoorbeeld
veel smaller zijn. Bij metingen blijkt het monster wat "groter" dan de
geometrische maten en de totale absorptie is wat hoger [].
Bij deling door het geometrisch oppervlak ontstaat dan een hogere
absorptiecoëfficiënt, die dan bij sterk absorberende materialen boven
1.0 kan uitstijgen.

Figuur 2: In de praktijk ligt het monster uiteraard
altijd op de vloer. Rondom de staande randen wordt een niet-absorberend
materiaal aangebracht (in rood).
In de praktijk wordt een monster uiteraard altijd
óp de betonnen vloer gelegd. Dat staat in figuur 2 getekend. Dan neemt
de hoeveelheid absorptie toe omdat de zijkanten meedoen en om dit te voorkomen
moeten de zijranden van het monster worden afgedekt, bijvoorbeeld met houten
planken. Ook dit effect wordt wel "randeffect" genoemd, maar het is
verschillend van het effect uit figuur 1. Anderzijds zou de mikrofoon bij de
lijnen A en B in figuur 2 wel degelijk wat anders kunnen meten dan in figuur 1,
zelfs als de randen zijn afgedekt.
In theorie zou men voor dit soort problemen kunnen
compenseren. Dat isn echter lastig en daarom wordt liever een strenge, simpele
meetmethode aangehouden zoals boven beschreven. De consequentie dat
absorptiecoëfficiënten boven 1.0 uitstijgen wordt dan voor lief
genomen.