Inleiding
In het voorgaande deel werden twee
problemen van rechthoekige ruimten genoemd:
-
De geluidniveaus zijn hoger dan
voorspeld door de theorie,
-
De nagalmcurve wijkt af van de
voorspelde rechte lijn, waardoor de nagalmtijden anders zijn dan
voorspeld.
Het eerste onderwerp is daar reeds
behandeld; thans komen de eigenlijke nagalmcurven aan de beurt,
waarbij we vooral zullen zien dat de curven afwijken van een
rechte lijn, waarbij ze steeds "doorzakken", d.w.z. dat ze (per
definitie ? [])
een hol concaaf verloop hebben.
Het
spiegelbronnenmodel in één dimensie
In de zaalakoestiek wordt met vrucht
gebruik gemaakt van het speigelbronnenmodel. Daarbij wordt een
ruimte verondersteld waarvan de wanden vlakke spiegels zijn.
Voor de lage frekwenties voldoet het model niet omdat de
golflengte van het geluid dan te groot is in verhouding tot de
afmetingen van de spiegelende wanden. Voor hoge frekwenties gaat
dit bezwaar niet op. Alle ray-tracing-modellen zijn op dit
principe gebaseerd. Zij sturen stralen geluidstralen vanuit de
bron alsof het lichtstralen zijn en geven dus per definitie een
hoogfrekwente benadering. We zullen dat model thans gebruiken
voor het allersimpelste geval: twee oneindig grote evenwijdige
vlakken op een afstand L. Verder veronderstellen we dat
beide vlakken dezelfde reflectiecoëfficiënt R hebben.
Figuur 1 geeft de situatie.
Midden tussen de zwart getekende vlakken
veronderstellen we een geluidbron die niet is getekend.
De mikrofoon wordt ook in het midden gekozen, maar ontbreekt ook
in de tekening.

Figuur 1: Mogelijke spiegelbronnen
bij twee evenwijdige vlakken. De eigenlijke bron en de mikrofoon
zijn niet getekend, maar moeten precies in het midden worden
gedacht. Uiteraard kunnen bron en mikrofoon eigenlijk niet op
dezelfde plaats staan.
De spiegelbron S3 met drie
reflecties wordt als voorbeeld genomen. Die heeft een afstand 3L
tot de mirkofoon. De bijdrage van die bron aan het kwadraat van
de geluiddruk is uitgebreid in een voorgaand deel aan de orde
geweest en wordt hier geschreven als:
.
(1)
met:
r
= dichtheid van lucht
c =
geluidsnelheid
W0 =
continu vermogen van de bron
R =
de reflectiecoëfficiënt van beide wanden []
In de voorbeelden wordt nogal eens
gewerkt met W0 = 10
mW (sic), hetgeen
ongeveer overeenkomt met menselijke spraak op "normaal" niveau:
LW = 70 dB (re 1pW). De waarde van W0
doet er overigens nauwelijks toe omdat het verder steeds over
verhoudingen gaat.
Bij een continue situatie staan alle
bronnen "aan". De totale sterkte kan dan worden geschreven als:
,
(2)
waarbij de factor 2 verschijnt omdat
zowel links als rechts bronnen gespiegeld zijn in een
symmetrisch systeem [].
Verder wordt weer verondersteld dat de geluiddrukken kwadratisch
mag worden opgeteld zodat fase-effecten (die zorgen voor staande
golven) afwezig zijn.
Merk op dat in deze berekening de
bijdrage van het directe geluid is weggelaten.
Als een continu geluid wordt
uitgeschakeld, ontstaat de "schroedercurve" van figuur 2. Eerst
dooft de spiegelbron op afstand L uit, dan die op 2L,
3L, enz, waardoor het geluidniveau steeds lager wordt. We
ervaren dit als nagalm.

Figuur 2: De nagalmcurve (schroedercurve)
indien een continue bron wordt uitgeschakeld in de situatie uit
figuur 1. De afstand L = 10m. De stappen liggen dus 0.029
s uit elkaar. Het directe geluid doet niet mee.
In de figuur zijn twee grootheden af te
lezen:
-
De helling van de curve bepaalt de
nagalmtijd.
-
Maar de curve is helemaal geen rechte,
ook niet als we de trapjes in de curve negeren. Als een
nagalmtijd uit de helling moet worden afgeleid is dus van belang
in welk interval dat geschiedt.
-
De waarde op tijdstip t = 0
bepaalt de energie van het galmveld. In dit geval is dat
42.3 dB [].
De invloed van de afstand tussen twee
vlakken in het 1D-geval
Als we in figuur 1 de afstand L
variëren en vervolgens de nagalmcurve in beeld brengen, zien we
een fascinerend fenomeen, dat geïllustreerd wordt in figuur 3.

Figuur 3: Twee nagalmcurven
(schroedercurven) voor een situatie als figuur 1. De blauwe
lijn is voor L = 10 m; de rode
lijn is voor L = 2.5 m.
De energie in de totale galm is 54.4 (rode curve) en 42.3 dB
(blauwe curve). De reflectiecoëfficiënt
is in beide gevallen 0.8.
De blauwe curve geeft hetzelfde geval
als figuur 3 waar L gelijk was aan 10 m. De blauwe
stippellijn vinden we als die maat wordt verkleind tot 2.5 m.
Als L kleiner wordt, daalt de
afstand tussen de spiegelbronnen. Als een continu signaal op de
bronnen wordt gezet is de totale energie daardoor hoger
(formule 2, waar L in de noemer staat). Echter, als de
continue bron wordt uitgezet dempen de reflecties door de
kleinere afstand L sneller uit. Als we dus de afstanden
10 en 2.5 vergelijken (zoals in figuur 3) blijken de twee curven
elkaar te snijden.
Op zich is dit effect overbekend. In
drie dimensies betekent een grotere ruimte (bij gelijkblijvende
reflectiecoëfficiënt) een langere nagalmtijd; een kathedraal
galmt meer dan een huiskamer. Maar het geluidniveau van een
spreker is in de kathedraal lager.
Een rechthoek met homogene
absorptieverdeling
Figuur 4 toont een voorbeeld in twee
dimensies van een rechthoek die niet vierkant is. We
nemen aan dat weer L = 10 en B = 2.5 m.

Figuur 4: Mogelijke spiegelbronnen
bij een tweedimensionale rechthoek.
Figuur 5 toont drie curven. De blauwe en
rode curve waren al getekend in figuur 3 voor de eendimensionale
gevallen waarin ook alleen de blauwe en rode spiegelbronnen zijn
meegerekend. De zwarte curve rekent alle spiegelbronnen mee. Het
aantal spiegelbronnen in de vier kwadranten (zwart getekend) is
nu veel groter dan de blauwe en/of de rode zodat de zwarte
bronnen het beeld bepalen. Het tweedimensionale geval is dan ook
zeker geen optelling van de twee eendimensionale gevallen.
Echter, de eendimensionale curven blijven wel degelijk
zichtbaar.

Figuur 5: Twee nagalmcurven
(schroedercurven) voor een situatie als in figuur 4. De rode
lijn is voor het eendimensionale geval met afstand 2.5 m; de
blauwe lijn is voor een afstand van 10 m.
De bovenste zwarte lijn representeert de
tweedimensionale rechthoek met L = 10 m en B = 2.5
m. De reflectiecoëfficiënt is in alle gevallen 0.8.
In figuur 5 zien we de volgende
effecten:
-
De totale energie in de galm, af te
lezen op tijstip t = 0, wordt voor het grootste deel
bepaald door de breedte B = 2.5 m. De zwarte lijn is
slechts een beetje hoger dan de rode.
-
De nagalm wordt officieel bepaald door
het trekken van de helling tussen Lmax-5 en Lmax-25. Dat deel wordt juist in aanzienlijke
mate bepaald door de blauwe lijn met lengte L = 10.
-
De belangrijkste consequentie is dat het
nu uitmaakt waar absorptiemateriaal wordt aangebracht.
Indien lawaai moet worden bestreden (en spraakverstaanbaarheid
verbeterd) kan het beste de rode curve worden aangepakt, als
excessieve galm moet worden bestreden moeten we ons op de blauwe
lijn concentreren. We zullen dat later uitgebreider uitleggen.
Een kubus met homogene
absorptieverdeling
In een kubus, bijvoorbeeld van 10
´ 10
´ 10 m3,
worden ook nog eens acht octanten met spiegelbronnen toegevoegd.
Dat voert allereerst het aantal bronnen op waardoor het
geluiddrukniveau (bij t = 0) toeneemt. In de figuur is te
zien dat het geluidniveau stijgt van 42.3 tot 53.9 dB als van 1D
naar 3D wordt overgegaan.
Het zijn echter juist de "verre" bronnen
die in aantal toenemen en daardoor vindt het uitklinken van de
nagalmcurve veel minder snel plaats dan in het eendimensionale
geval. Het resultaat staat in figuur 6.

Figuur 6: De nagalmcurve (schroedercurve)
indien een continue bron wordt uitgeschakeld in de
eendimensionale situatie uit figuur 3 met afstand 10 m (blauwe
lijn), en in een kubus van 10 × 10 × 10 m3
(rode lijn). Alle reflectiecoëfficiënten zijn 0.8.
Door de overgang van 1D naar 3D is ook
het holle karakter van de eendimensionale nagalmcurve verdwenen.
Volgens Sabine’s theorie en de het spiegelbronnenmodel is de
nagalmcurve een rechte. Als heel goed naar de rode lijn wordt
gekeken zien we dat dat niet helemaal waar is, maar voor de
praktijk is de afwijking verwaarloosbaar.
De bepaling van de nagalmtijd uit de
1D-curve hangt af van het traject waarlangs een rechte wordt
gefit, maar globaal kan worden gesteld dat de 1D-nagalmtijd de
helft is van de 3D-nagalmtijd.
De reflectiecoëfficiënt in relatie tot
de afstand in één dimensie
Tot nu toe is in alle voorbeelden steeds
dezelfde reflectiecoëfficiënt gekozen: R = 0.8; alleen de
lengte L werd gevarieerd. Figuur 7 laat twee curven zien
als R wordt gevarieerd (0.8 en 0.6) bij dezelfde afstand
L = 10 m. Het gaat hier weer om het eendimensionale
geval.

Figuur7: Twee nagalmcurven in 1D
(schroedercurven) bij variërende reflectie. De blauwe lijn is
voor het eendimensionale geval met afstand 10 m en R =
0.8. De rode doorgetrokken lijn is ook bij L = 10, maar
nu is de reflectiecoëfficiënt gelijk aan R = 0.6.
Deze figuur mag gevoegelijk een "open
deur" worden genoemd. Ook Sabine wist reeds dat toevoeging van
absorptie (dus hier van 20% naar 40%) zowel het geluiddrukniveau
als de nagalmtijd doet afnemen.
De figuur dient dan ook vooral ter
inleiding van de gevallen waarin R en L
tegelijkertijd worden gewijzigd. We keren daartoe terug naar
formule (1) waarin de derde reflectie wordt bezien.
.
(1 herhaling)
Stel nu dat L in eerste instantie
gelijk is aan 10 m. We voegen nu een index toe, zodat R
overgaat in R10. Verder nemen we niet de derde
reflectie maar de negende. De formule wordt dan geschreven als:
.
(4)
Nu berekenen we een tweede curve
waarvoor L gelijk is aan 30 m in plaats van 10 m. Dan
komt de derde reflectie bij 30 m net zo laat binnen als de
negende bij 10 m. Dit kan geschreven als:
.
(5)
Nu staat in de noemer van formules (4)
en (5) precies hetzelfde. Ook de tellers kunnen gelijk worden
gemaakt indien:
,
(6)
hetgeen ook algemener kan worden
geschreven omdat het aantal reflecties omgekeerd evenredig is
met de afstand L:
,
(7)
Als nu de bij 10 m R10
gelijk wordt gekozen aan 0.8, volgt daaruit R30
= 0.51, omdat geldt:
(8)
De schroedercurven voor beide gevallen
staan getekend in figuur 8.

Figuur 8: Twee nagalmcurven (schroedercurven)
met een gelijk verloop. De blauwe lijn is voor het
eendimensionale geval met afstand 10 m en R = 0.8. De helling
van de rode doorgetrokken lijn is berekend met L = 30 m.
Om de helling gelijk te maken moet dan een absorptiecoëfficiënt
worden gekozen van R = 0.51.
We zien in de figuur dat de helling een
overeenkomstig verloop heeft. De hoogte van de curve is
essentieel anders. In het geval met 30 m is namelijk het aantal
spiegelbronnen ook drie maal zo klein zodat de totale energie
kleiner is. Volgens formule (2) is (bij gelijke helling) de
grootheid R/L2 maatgevend
voor de sterkte. Die waarden zijn respectievelijk 0.008 en
0.00057 bij 10 en 30 m, zodat het verschil 11.5 dB bedraagt. Dat
klopt met de curven uit figuur 8 voor t = 0.
Het is niet mogelijk []
om R en L zodanig te manipuleren dat zowel de
galmsterkte als de nagalmtijd gelijk worden. Sabine’s theorie
gaat daarom alleen op in een echte kubus met een homogene
verdeling van de absorptie door de ruimte.
Op de mogelijkheid om galm en niveau te
manipuleren in ruimten in de praktijk komen we terug in een
volgend theoriedeel. Ddaarvoor wordt, in het volgende
theoriedeel, ingegaan wat "de" nagalmtijd eigenlijk is. De
kromme curve zoals die in figuur 5 manifest was stelt ons nl.
voor ernstige problemen.
|
vorige theoriedeel
volgende |
|