1. De nagalmtijd
volgens het spiegelbronnen- en het ray-tracing-model
1.1 De nagalmtijd bij
concave curven
In het voorgaande deel is, aan de hand
van eendimensionale gevallen, uitgelegd waarom afwijkingen van
de theorie van Sabine, Franklin en Jaeger (SFJ-theorie) optreden
bij de berekening van het geluiddrukniveau en vooral ook waarom
de curven "doorzakken", dus afwijken van een rechte lijn. In dit
deel zullen we de nagalmcurven nader onder de loep nemen.
Figuur 1 geeft de nagalmcurven die met
een spiegelbronnenmodel zijn berekend. Er is gerekend met drie
ruimten. De rode curve geeft een kubus van 8
´ 8
´ 8 m3,
vervolgens wordt de lengte tweemaal zo groot en de hoogte
tweemaal zo klein (blauwe curve) en dit wordt nog eens herhaald
voor de groene curve [[1]]. De reflectiecoëfficiënt van alle
wanden is 0.8 (absoprtie dus 20%).

Figuur 1: Nagalmcurven van
drie ruimtevormen. R = 0.8.
Volgens de SFJ-theorie is een
nagalmcurve een rechte. Geen van de drie rechte lijnen voldoet
daaraan; ook de rode curve voor een kubus is concaaf al zijn de
afwijkingen zeer gering. In de praktijk trok men vroeger een
rechte lijn met een liniaal en een potlood; tegenwoordig moet
dat van de normbladen met behulp van een statistische
regressielijn. Die methode staat uitgelegd in figuur 2. Daar
wordt getracht om een nagalmtijd RT-5-25 te berekenen
voor de 32-8-2-lijn uit de voorgaande figuur.

Figuur 2: De nagalmtijd tussen -5 en
-25 dB moet worden berekend via statistische regressie in dat
interval. De gevonden nagalmtijd is hier 1.9 s.
De werkwijze is als volgt:
-
Bereken de maximale waarde Lmax
op het tijdstip t = 0,
-
Bereken hieruit de waarden Lmax-5
en Lmax-25 die dus respectievelijk 5 en 25
dB lager zijn.
-
Bereken hieruit de bijbehorende
tijdstippen t1 en t2.
-
Kies nu alleen het deel van de
nagalmcurve tussen t1 en t2
-
Bereken de helling van de curve via
statistische regressie; dat is dus de rode curve in de
figuur.
-
Bereken de nagalmtijd uit de
gevonden helling.
De groene curve in figuur 2 is een
beetje hobbelig door de vorm van de ruimte. Dat is slechts een
klein bezwaar, want de statistische correlatiecoëfficiënten
blijven meestal ruim boven de 95%.
Een veel groter bezwaar vinden we terug
in figuur 3. Doordat de curve zo sterk concaaf is, hangt de
helling van de regressielijn af van het gekozen interval.

Figuur 3: De nagalmtijd voor drie
verschillende intervallen.
De rode lijn is tussen 0 en -10 dB, de
blauwe geldt tussen -5 en -25 dB, de groene geldt tussen -5 en
-35 dB. De bijbehorende nagalmtijden zijn respectievelijk 0.90,
1.64 en 2.49 s. De nagalmtijd berekend volgens de SFJ-theorie is
0.62 s.
In de figuur staan drie "officiële"
nagalmcurven: EDT (tussen 0 en -10 dB), RT_5_25
(tussen -5 en -35 dB) en RT_5_35 (tussen -5 en -35 dB).
En daarmee komen we aan het grootste probleem: de berekende
waarden in dit voorbeeld verschillen sterk: 0.90, 1.64 en 2.49
s. De nagalmtijd
die volgens de SFJ-methode wordt gevonden is slechts 0.62 s.
In de 8-8-8-kubus is de nagalmtijd
volgens SFJ gelijk aan 1.08 s. De waarde na curve-fitting voor
de nagalmtijd tussen -5 en -25 dB is een spoortje korter: 1.02
s.
Van de 8-8-8-kubus naar de
32-8-2-rechthoek zien we dus twee effecten:
-
De SFJ-nagalmtijd wordt in de rechthoek
korter; van 1.08 naar 0.62. Dat komt doordat in een 32-8-2
ruimte het geometrisch oppervlak, en daarmee het absorberend
oppervlak veel groter is dan in een 8-8-8-kubus. Het
spiegelbronnenmodel voorspelt echter een toename van de
nagalmtijd. Tussen -5 en -25 stijgt de tijd van 1.02 naar 1.64
s.
-
"De" nagalmtijd bestaat wel min of meer
in een kubus, maar niet in een rechthoekige ruimte. De keuze van
het interval speelt een belangrijke rol.
1.2 Verstrooiing en
inhomogene absorptieverdeling
Het spiegelbronnenmodel waarmee de
voorgaande curven zijn uitgerekend rekent met ideale spiegeling:
hoek van inval = hoek van reflectie. Met een ray-tracing-model
kan daar verstrooiing van de wanden aan worden toegevoegd. Een
voorbeeld staat in figuur 4.
In de figuur staan de nagalmcurven voor
een ruimte van 32 ´ 8
´ 2 m3. In de linker figuur hebben alle oppervlakken
een absorptiecoëfficiënt van 20% (R = 0.8). In de rechter
figuur is de absorptie meer verdeeld zoals men in de praktijk
kan tegenkomen.
Figuur 4: Berekening van de nagalmcurven
met behulp van CattAcoustic. De diffusiecoëfficiënten variëren
volgens opgave in de figuur; ze zijn voor alle wanden gelijk [[2]].
Links is het homogene geval waarbij alle
oppervlakken 20% absorptie hebben. In de rechter figuur heeft de
vloer 5 % absorptie en het plafond 40%. Om aan een
gemiddelde waarde van 20% absorptie te komen hebben de wanden
12% absorptie.
De volgende conclusies kunnen uit de
figuren worden getrokken:
-
De helling over de eerste 5 dB blijft
vrijwel constant. Over 10 dB verval nemen de verschillen wel
toe, maar EDT is dus niet zo gevoelig voor wijzigingen in
de situatie.
-
De curven in de rechter figuur liggen
hoger dan in de linker. Dat betekent dus dat een inhomogene
situatie met veel absorptie op het plafond nóg langere
nagalmtijden oplevert.
-
Dat staat in contrast met de waarde op
t = 0, die dus het geluidniveau geeft. Eigenlijk
staat in de figuren dat voor het geluidniveau de hoeveelheid
absorptiemateriaal veel belangrijker is dan de plaats.
Voor de nagalmtijd is de plaats juist heel belangrijk.
-
Verstrooiing verlaagt de nagalmtijd. Dat
geldt in deze figuren voor de verstrooiing van de
oppervlakken, maar geldt in de praktijk ook voor meubilair,
zelfs als dat niet-absorberend is. Echter, soms staat meubilair
in de weg, zoals in een sportzaal. Kunstmatige ophoging van de
verstrooiing kan dan gewenst zijn.
1.3 Liever EDT dan RT_5_35?
In concertzalen is tamelijk veel
onderzoek gedaan naar de beleving van nagalm door luisteraars;
zie bijvoorbeeld [[3]].
Daarbij blijkt de beleving van nagalm vooral samen te hangen met
EDT. In veel muziek is de dynamiek van de lopende muziek
niet veel meer dan 10 dB en is dus pas bij het slotakkoord te
horen hoe een zaal uitklinkt over 20 of 30 dB. Ook voor de
spraakverstaanbaarheid geeft EDT een veel betere indruk
dan de twee andere grootheden.
Men zou dus de conclusie kunnen trekken
dat EDT geschikter is dan de RT-waarden tussen -5 en
-25/-35 dB.
Helaas zijn er ook argumenten tegen
EDT. Het eerste argument staat getekend in de figuren 4 en 5
Daarvoor is een berekening uitgevoerd in een ray-tracing
programma van EDT (figuur 5) en RT tussen -5 en
-35 dB (figuur 6). De ruimte meet 16
´ 8 ´ 4 m3 en
gegeven wordt een horizontale doorsnede op 1 m hoogte. Op het
punt (2.5, 2.5) staat een geluidbron. De contouren worden
berekend nadat een net van 153 mikrofoonpunten is uitgerold.

De waarden van EDT berekend
in een ruimte van 16 ´ 8 ´ 4 m3.

Figuur 6: De waarden van RT tussen -5 en
-35 dB, berekend in een ruimte van 16
´ 8
´ 4 m3.
Figuur 6 illustreert waarom de
nagalmtijd in de laatste 100 jaar zo populair is geworden: de
waarde is mooi constant door de ruimte. EDT daarentegen
loopt sterk af nabij de bron, hetgeen o.a. veroorzaakt wordt
doordat het directe geluid de helling van het eerste stuk van de
nagalmcurve sterk beïnvloedt.
Men zou natuurlijk kunnen vermijden om
EDT al te dicht bij de bron te bepalen, maar er is een
nog groter bezwaar tegen EDT: ook de meetuitkomsten
variëren sterk. Waar het precies vandaan komt is niet altijd
even duidelijk maar de gemeten pulsresponsies zien er in de
allereerste milliseconden nogal grillig uit en ze hangen sterk
af van de plaats. Kennelijk spelen allerlei lokale reflecties
(de vloer, meubilair, toevallige plafond- en muuronderdelen) en
staande golven een grote rol voor het eerste deel. Een
verschuiving van een paar centimeter kan al invloed hebben.
Nader onderzoek kan hier wellicht
uitkomst brengen [[4]].
2. Modellen voor de
voorspelling van de nagalmtijd
2.1 Bestaande modellen
Na de modellen van Sabine (in 1900) en
Eyring (in 1930) hebben velen zich bezig gehouden met de
nagalmtijd. Een duik in de literatuur levert zeker tien
mogelijkheden en eigenlijk deugen ze geen van alle om de
eenvoudige reden dat "de" nagalmtijd bij concave curven niet
bestaat; de nagalmtijd hangt te sterk af van het gekozen
interval. Dat is uiteraard "juridisch" op te lossen door altijd
alleen de nagalmtijd tussen bijvoorbeeld -5 en -25 dB te meten
en voor te schrijven in een norm, maar die aanpak doet weer geen
recht aan wat wij horen.
In de tabel staan drie voorbeelden
doorgerekend die we al een paar maal zijn tegengekomen. Eén van
de kolommen is gereserveerd voor de nagalmtijd zoals die wordt
berekend met de officiële norm NEN 12354-6. Daarin staat een
methode om ook voor niet-kubische ruimten de nagalmtijd te
berekenen.
Tabel 1: De nagalmtijden
afhankelijk van de ruimtevorm, uitgaande van een constant
volume.
De rechter kolom geeft de berekening
volgens normblad NEN-12354-6 indien de diffusie op 0 wordt
gezet.
|
Ruimtevorm
|
Vol
|
S
|
a
|
A
|
RT
sab
|
EDT
|
RT
5_25
|
RT
5_35
|
NEN
12354
|
|
8 ´ 8
´ 8
|
512
|
384
|
0.2
|
77
|
1.08
|
1.00
|
1.02
|
1.05
|
1.11
|
|
16 ´ 8
´ 4
|
512
|
448
|
0.2
|
90
|
0.93
|
1.00
|
1.23
|
1.51
|
1.01
|
|
32 ´ 8
´ 2
|
512
|
672
|
0.2
|
134
|
0.62
|
0.90
|
1.64
|
2.49
|
0.83
|
We zien een paar dingen, die ten dele al
eerder aan de orde kwamen:
-
De nagalmtijd RTsab volgens de
theorie van Sabine-Franklin-Jaeger daalt als de
ruimtevorm meer van de kubus afwijkt. Dat komt omdat het
geometrisch oppervlak toeneemt en daarmee het absorberend
oppervlak A.
-
De waarde van EDT uit het
spiegelbronnenmodel vertoont ook een dalende tendens maar de
afname is veel geringer.
-
De nagalmtijden uit NEN 12354-6 vertonen
een dalende tendens, net als RTsab en EDT. Ten
opzichte van RTsab voorspelt NEN 12354-6 wel degelijk een verlenging.
-
De nagalmtijden die zijn gefit tussen -5
en -25 dB of tussen -5 en -35 dB stijgen sterk. De
nagalmcurven worden steeds krommer.
NEN 12354-6 en EDT uit het
spiegelbronnenmodel vertonen wel een redelijke overeenkomst.
Echter, NEN 12354-6 maakt nergens duidelijk welke nagalmtijd
wordt voorspeld, zodat moet worden aangenomen dat het om RT_5_35
gaat, Die overeenkomst is zondermeer slecht.
Ray-tracing-modellen geven gelijke
waarden als het spiegelbronnenmodel indien de diffusie op nul
wordt gezet. Bij toenemende diffusie verlaten we ons op figuur
4. Met andere woorden: EDT blijft min of meer gelijk maar
RT_5_25 en RT_5_35 dalen ten opzichte van volledige spiegeling.
Ook in NEN 12354-6 kan diffusie worden
ingevoerd. Dan zien we dezelfde afname van RT bij
toenemende diffusie. In dit opzicht is NEN 12354-6 wel
betrouwbaar.
2.2 De "equivalente kubus".
Zoveel modellen, en dan toch nog eentje erbij?
Uit de voorgaande paragrafen sprak geen
grote bewondering voor de bestaande modellen voor de nagalm.
Sterker nog: door de kromme curven werd "de" nagalmtijd
onbepaalbaar genoemd.
Toch zullen we een poging doen een
uiterst eenvoudige benadering te geven van "de" nagalmcurve. Het
model is bedoeld als een hulpmiddel bij de berekeningen
vooraf dus als de ruimte nog op de tekentafel staat en het
hoopt de ontwerper te wapenen tegen teleurstellingen bij
oplevering van het gebouw.
In figuur 7 is een voorbeeld nader
uitgewerkt. De stippellijnen geven de berekeningen met het
spiegelbronnenmodel. De getrokken lijnen geven de nagalmcurven
zoals berekend met de theorie van Sabine, Franklin en Jaeger.

Figuur 7: De waarden zoals berekend door
de SFJ-theorie voor twee ruimtevormen (getrokken lijnen) en door
het spiegelbronnenmodel (stippellijnen). De absorptie is
homogeen verdeeld; de reflectiecoëfficiënt is gelijk aan R
= 0.2 dus a =
80%.
Zoals reeds meerdere malen gemeld is er
een goede overeenkomst voor de kubus. De rode stippellijn is net
een spoortje steiler dan de rode getrokken lijn, hetgeen vooral
kan worden verklaard omdat eigenlijk de nagalmformule van Eyring
moet worden gebruikt.
De overeenkomst voor een sterk
niet-kubsiche ruimte (beide groene lijnen) is bedroevend. Maar
we zien wel een interessant aspect: de rode getrokken lijn is
ook een redelijke benadering voor de niet-kubische ruimte. Zowel
het geluiddrukniveau (bij t =0) als de helling worden
beter benaderd. Dat betekent niets anders dan dat we de
niet-kubische ruimte kunnen vertalen in een kubus met precies
hetzelfde volume. En dat betekent weer dat het totale oppervlak
in de formules wordt herschreven:
.
Voor een kubus zijn die waarden dus
gelijk; voor een niet-kubische ruimte is de rechterzijde
kleiner. We vinden nu:
|
Formules volgens
SFJ-theorie
|
Equivalente kubus
|
|

|

|
|

|

|
Er is een alternatieve, en wellicht
handiger aanpak. We kunnen namelijk de SFJ-formules ook laten
staan en een herberekening van de absorptiecoëfficiënt
uitvoeren. Dat sluit iets beter aan bij de praktijk, zoals te
zien is in de volgende tabel. De absorptiecoëfficiënt
a wordt eerst
berekend aan de hand van de gegevens (bijvoorbeeld van
leveranciers) per oppervlak; daarna vindt een herberekening
plaats waaruit een lagere waarde van de absorptiecoëfficiënt
aek rolt.
Op deze manier wordt als het ware een
veiligheidsmarge ingevoerd.
|
Formules volgens
SFJ-theorie
|
Equivalente kubus
|
|

|

|
|

|

|
|

|

|
|
vorige theoriedeel
volgende |
|