TULogo
Inleiding
A. Spreken en horen
B. Theorie
C. Absorptievoorbeelden
C.1 Materiaalvoorbeelden
C.2 Ontwerpvoorbeelden
C.3 Learning from BK City
D. Ontwerpregels
E. PDF's
F. Artikelen
G. Colofon

Learning from BK City

De akoestiek in het voormalige en huidige Bouwkundegebouw

 
 

1.    Bouwkundegebouw, BK City, BK City STAY

Op 13 mei 2008 ging het Gebouw voor Bouwkunde in vlammen op. Binnen een paar dagen werd besloten om het leegstaande Hoofdgebouw van de TU Delft in te richten als “noodgebouw”. Het werd getooid met de naam “BK City” en de hoogste prioriteit werd toegekend aan huisvesting van de nieuwe lichting eerstejaars die in september 2008 aan de poort zou staan. Alle andere medewerkers en studenten zouden wat langer onderdak krijgen in een tentenkamp en bij andere faculteiten. Successievelijk zouden ook zij het noodgebouw betrekken. Ondertussen zou worden gewerkt aan de realisering van een nieuw “iconisch” gebouw. De overheid stelde daartoe ettelijke miljoenen beschikbaar en er werd een prijsvraag georganiseerd voor een ontwerp.

Al snel bleken de kosten voor nieuwbouw, gevoegd bij de verbouwingskosten voor de noodvoorziening, veel te hoog, zodat na een paar jaar is besloten om het noodgebouw om te vormen tot een permanente behuizing.

 

Het doel van de huidige webpagina is om de akoestische kanten van de aanpassing van het huidige gebouw te behandelen. Het was en is een leerzaam proces voor bouwkundestudenten; zij hoeven maar goed te luisteren en te kijken hoe het huidige gebouw zich manifesteert. Maar het proces is ook interessant voor lezers die niet tot de dagelijkse bezoekers horen; gepoogd zal worden om ook voor hen het proces inzichtelijk te maken.

Bij de behandeling moeten twee fasen worden onderscheiden. Allereerst was het gebouw bedoeld als noodvoorziening. Dan zijn de steekwoorden “haast”, “tijdelijk”, “goedkoop”. De akoestische kwaliteit komt dan nogal eens in de verdrukking en dat was in die eerste fase ook op veel plaatsen te horen. Akoestisch succes en falen varieerden per ruimte. In de tweede fase, na het besluit om te blijven (“BK City STAY”) is op veel plaatsen in het gebouw een inhaalslag gepleegd om de somtijds abominabele akoestiek alsnog op te knappen.

 

Al voor mei 2008 werd er gediscussieerd over de “ideale” inrichting van het oude BK-gebouw; in de open-kantorentrend van die dagen werden er al scheidsmuren gesloopt. In het nieuwe gebouw werd die trend doorgezet, maar daarbij werd vergeten dat het oude gebouw model stond voor bijna vier decennia akoestische wanhoop. We ontkomen daarom niet aan een behandeling van het voorgaande gebouw om aan te tonen dat kennis uit het verleden niet achteloos terzijde kan worden geschoven in een nieuw gebouw.

 

2.    Het gebouw van bouwkunde 1970-2008

2.1   De indeling van het gebouw

Het vorige gebouw voor bouwkunde is ontworpen door het architectenbureau Van den Broek & Bakema [[1]]. Er was een laagbouw van twee verdiepingen en een kelder. Op de begane grond en eerste verdieping bevond zich een doorlopende “Straat van Bouwkunde” (figuur 1) waaraan allerlei ruimten (de bibliotheek, kantine, collegezaal A, Vormstudie, enz, enz.) waren gesitueerd. Boven de laagbouw bevond zich de hoogbouw die was ontworpen met een systeem van telkens twee gekoppelde verdiepingen. Er waren werkruimten per verdieping, maar “tekenzalen” strekten zich uit over twee verdiepingen. Het systeem met dubbele verdiepingen was ook aan de buitenkant te zien. Figuur 2 toont het gebouw waarop ook te zien is dat de laagbouw een veel groter oppervlak had dan de hoogbouw. Figuur 3 toont een gestileerde plattegrond van een even verdieping. Karakteristiek is de rotatiesymmetrie van de beide vleugels rondom een centraal middendeel.

 

Figuur 1:  Een klein deel van de Straat van Bouwkunde op de begane grond en eerste verdieping.

 

Figuur 2:  Het Gebouw van Bouwkunde 1970-2008. De hoogbouw staat op een uitgebreidere onderbouw van twee verdiepingen. In de hoogbouw zijn links en rechts de zalen te zien die zich uitstrekken over twee verdiepingen. In het midden ziet men de werkkamers die per verdieping zijn gerangschikt.

Foto’s 1 en 2: Fotografische Dienst Bouwkunde. Overige foto’s zijn van de auteur, tenzij anders vermeld.

 

Figuur 3:  Een gestileerde plattegrond van een even verdieping in het gebouw aan de Berlageweg (1970-2008). De lengte is bijna 100 m. De tekenzalen en de collegezaal hebben een hoogte van twee verdiepingen. Zie figuur 4 voor de verdeling over even en oneven verdiepingen.

 

Het oorspronkelijk plan dateert al uit de vijftiger jaren. Daarin was voorzien in grote tekenzalen van twee verdiepingen hoog. Werkkamers bevonden zich vooral op de even verdiepingen, op de oneven verdiepingen ontstond een combinatie van enige werkkamers en nog meer tekenzaal.

Tijdens de lange planduur was het aantal studenten flink opgelopen. Daarom is al tijdens de bouw besloten om insteekvloeren op te hangen die de oneven verdiepingen meer vloeroppervlak moesten geven. Figuur 4 toont de situatie bij de oplevering in 1970.

Omdat het aantal medewerkers was meegegroeid was er ook meer behoefte aan werkkamers. De aannemer had nog niet zijn hielen gelicht of de verbouwploeg trok het gebouw binnen. In de periode 1970-1975 zijn daarom op alle oneven vloeren extra werkkamers (van drie naar zeven) getimmerd waarna de even en oneven verdiepingen er, qua werkkamers, vrijwel hetzelfde uitzagen.

Figuur 4:  Plattegronden van een even (middelste figuur) en een oneven (boven) verdieping bij de oplevering in 1970. De rode insteekvloer komt niet voor in de eerste plannen. Het is een stalen constructie die aan het betonskelet is gehangen.

De onderste figuur toont een doorsnede door beide verdiepingen. Tussen de vloer van de verdieping en de insteekvloer zijn roosters noodzakelijk voor verwarming en ventilatie. Rechts van de insteekverdieping (in de bovenste plattegrond) resteert een vide over twee verdiepingen.

 

Het idee van de tekenzalen ging uit van grote groepen studenten die in alle rust aan hun plan tekenden. Daartussendoor liep een docent die goede raad uitdeelde. Maar in 1970 was het onderwijs al drastisch op zijn kop gezet. Er werden groepen studenten gevormd, meestal kleiner dan 20, die samen met een docent een groep vormden, waarbinnen uitwisseling van ideeën plaatsvond. Zo’n onderwijsvorm vraagt eigenlijk om een soort klaslokaal en die waren niet voorhanden in het gebouw.

 

2.2   De akoestische kenmerken

Er zijn dus een paar onderwijsfuncties die doorwerken op de akoestisch kenmerken van het gebouw:

  • Colleges voor groepen tot maximaal 350 studenten waren uitstekend te geven. De even verdiepingen bevatten collegezalen (de groene vlakken in figuur 3) die goed op hun taak waren berekend.

  • Indien studenten werkten in kleine groepen (maximaal ongeveer 4 personen, al of niet met een docent) was dat prima te doen op de open “tekenzalen”. De groepsleden konden elkaar toespreken en verstaan en als er al te luidruchtige buurgroepen waren, wilde correctie meestal wel helpen. Het gebruik van radio’s e.d. werd meestal vroegtijdig in de kiem gesmoord.

  • De werkkamers stelden medewerkers in staat om hun werk te doen, maar ook gesprekken met studenten werden er tot volle tevredenheid gevoerd. Maar de groepsgrootte hield wel op bij ca. acht. Bovendien werden de kamers al snel gedeeld door meerdere medewerkers.

  • Een groot probleem waren discussies en besprekingen in wat grotere groepen (10 tot 20 personen). Daarvoor bestonden nauwelijks voorzieningen zodat allerlei schotten werden geplaatst op de tekenzalen om afzonderlijke ruimten te scheppen. Figuur 5 toont enkele resultaten. Het meubilair werd kennelijk aan de rommeligheid van de ruimte aangepast.

 

Figuur 5:  Een indeling van een tekenzaal uit figuur 4 met schotten. De rechts getoonde exemplaren onder de insteekverdieping doen hun akoestische werk vrij goed omdat ze onder en boven aansluiten aan vloer en plafond. In de linker foto (genomen vanuit de insteekverdieping naar de vide) staan veel kleinere exemplaren. Uiteraard hebben die nauwelijks akoestisch effect.

Er zijn anderzijds in het gebouw ook een paar afsluitbare ruimten getimmerd, inclusief akoestisch gedempte ventilatieopeningen in de wanden.

 

  • Het zal duidelijk zijn dat de afscheidingen slechts in geringe mate geluid isoleerden. Als in alle naburige ruimten gelijksoortige gesprekken werden gevoerd was het wel te doen, maar een studentenpresentatie gekoppeld aan een verhitte discussie bij de buren was zeer onprettig voor de presentator en zijn/haar publiek in de andere ruimte.

  • Het geluid van de buren was nog wel te bestrijden. Het hielp ook altijd wel om luidruchtige buren te vragen om het wat kalmer aan te doen. Maar door de insteekvloeren waren er ook onder- of bovenburen. Het vereiste dan minimaal een kleine reis om om stilte te vragen.

  • Er was bij het ontwerp van het gebouw goed nagedacht over de akoestiek. Door het gehele gebouw waren absorberende houtvezelplaten [[2]] aangebracht die het akoestisch prima deden maar als nadeel hadden dat ze erg groot en dus onhandelbaar waren als de installaties achter de platen bereikt moesten worden. De onderkant van de insteekvloeren (zie nogmaals figuur 5) bestond uit gelakte schroten die aan de goede akoestiek afbreuk deden.

  • Vezelplaten moeten vooral niet worden geverfd. Waar dat in de loop der jaren wel gebeurde, de kantine met name, nam het lawaai schrikbarend toe. Dat leidde uiteindelijk in vrijwel alle gevallen tot een volledige vervanging van de platen om weer voor rust te zorgen.

 

2.3   Pogingen om de akoestiek op te knappen

Het onderwijsprogramma zat vol met groepslessen en het onderwijsgebouw kende daartoe geen faciliteiten. Er werd dus steen en been geklaagd en al direct werd een groep in het leven geroepen om een verbeterplan te ontwikkelen. De voorgestelde verbouwing werd echter te duur bevonden. Dat proces heeft zich dertig (!) jaar lang herhaald: telkens kwam de golf klachten weer opzetten, telkens verdwenen de herstelplannen in een la.

Na 2000 werd eindelijk een verbouwing in gang gezet die de onder- en bovenverdiepingen ontkoppelde. De insteekvloeren werden geheel afgeschermd met glazen wanden, er werden akoestische ventilatievoorzieningen gemaakt en er werd akoestisch absorptiemateriaal op de onderzijde van de insteekvloeren aangebracht. Figuur 6 geeft een doorsnede na de aanpassing van figuur 4.

Figuur 6:  Ter verbetering van de akoestiek werden aan de plattegronden en doorsnede van figuur 4 extra glaswanden toegevoegd. Om verstikking te voorkomen werd aan de bestaande ventilatieopeningen akoestisch absorptiemateriaal toegevoegd waardoor suskasten ontstonden.

 

 

Figuur 7:  Een foto van de insteekvloer nadat een glazen wand is toegevoegd. De foto is genomen vanuit de vide (zie figuur 4). Omdat de wanden rond de bovenverdieping van glas zijn vallen ze in de foto nauwelijks op.

 

Echter, de verbouwingsplannen vielen samen met de hausse aan ontwerpen voor open kantoren en de toenmalige decaan stelde dat “studenten weer op atelier moeten gaan werken”. Er werden dus schotten geruimd uit de tekenzalen en van de insteekvloeren: een verademing. Figuur 8 toont een nieuwe ruimte onder de insteekvloer. Het bestaande plafond van gelakte schroten is vervangen door speciaal akoestisch materiaal dat lijkt op de oorspronkelijke schroten.

Gesprekken van studenten in kleine groepjes zijn niet ideaal maar wel degelijk te doen onder voorwaarde dat alle groepen min of meer hetzelfde werk verrichten. Maar als de groepsgrootte stijgt boven ca. tien personen neemt de spraakverstaanbaarheid snel af omdat de onderlinge afstand tussen spreker en toehoorders te groot wordt in het geroezemoes. Hét grote manco van het gebouw bleef bestaan: er waren nog steeds geen lokalen voor 15 tot 25 personen.

 

Figuur 8:  Een “atelier” voor studenten onder de insteekvloer na een renovatie waarbij alle schotten werden verwijderd. Het plafond lijkt op het eerdere schrotenplafond maar het zorgt wel degelijk voor geluidabsorptie. In de rechter foto is ook de glaswand van de bovenliggende insteekverdieping te zien. De linker foto is in tegengestelde richting genomen. Foto’s: Fotografische Dienst Bouwkunde.

 

3.    Het “nieuwe” gebouw na 2008

En toen brandde in 2008 het gebouw af en werd een bestaand TU-gebouw betrokken. Dit gebouw, nog in aanbouw, is al te zien op een luchtfoto uit 1923, maar door de crisis is het pas rond 1940 gereed en pas na de oorlog wordt het in gebruik genomen. Het was oorspronkelijk bedoeld als onderkomen voor de afdeling Scheikunde, maar die trekken na 1945 in een moderner buurgebouw. Diverse TU-eenheden hebben in het gebouw geresideerd met als langdurigste gasten de faculteit Wiskunde en vooral het bestuur en de administratieve dienst van de TU. Het heette in de volksmond dan ook het “Hoofdgebouw”. In 2008 hadden alle TU-diensten het gebouw verlaten en stond het leeg in afwachting van een grootscheepse ombouw tot woningen. Maar de woningbouw lag dat jaar min of meer plat en zodoende was het gebouw beschikbaar als BK-onderkomen.

Het gebouw heeft vele verbouwingen ondergaan. Vanwege de eisen voor een scheikundeonderkomen waren de verdiepingen 6 m hoog, maar dat vond men zonde van de ruimte en op veel plaatsen zijn daarom rond 1950 tussenverdiepingen aangebracht. Karakteristiek zijn ook de zeer hoge puntdaken met zolders. Die kenden oorspronkelijk nauwelijks daglicht en om ze bruikbaar te maken als werkplekken is, ook rond 1950, een rand met ramen ingebouwd en zijn er plafonds ingehangen.

Figuur 9:  Een detail van het gebouw. De twee verdiepingen zijn ieder ruim 6 m hoog (binnenmaten). De zolderverdieping had oorspronkelijk een kap die doorliep tot de goot. De strook ramen (gekleurd op de foto) is rond 1950 aangebracht. Die strook bestond uit lekkende houten ramen met enkel glas en nadat is besloten om het gebouw permanent te gaan bewonen is de strook door het gehele gebouw vervangen door degelijker ramen.

 

Zoals al vermeld in het eerste hoofdstuk was het gebouw oorspronkelijk bedoeld als noodvoorziening. Pas na een paar jaar is, vooral om financiële redenen, besloten om permanent in het gebouw te blijven. Dat heeft natuurlijk consequenties voor de inrichting. In een noodgebouw geeft men minder geld uit aan akoestische voorzieningen en bovendien stonden de ontwerpers in 2008 onder grote tijdsdruk: het onderwijs moest doorgaan. Maar op sommige plaatsen in het gebouw was juist de akoestiek wel heel erg ondermaats. Daarom is besloten om een grote inhaalslag te maken toen besloten werd om in het gebouw te blijven.

In het volgende hoofdstuk wordt de akoestiek behandeld aan de hand van een serie voorbeelden. Daarbij wordt de gebruiksfunctie gekoppeld aan de akoestiek. Vooruitlopend op de conclusies kan hier alvast worden gesteld dat de koppeling tussen functie en akoestiek thans redelijk tot uitstekend is, maar merkwaardigerwijs keert het manco van het oude gebouw (1970-2008) terug in het nieuwe gebouw: er zijn nauwelijks ruimten voor onderwijs aan en met groepen van 15-25 mensen.

 

4.    Enkele akoestische cases in het nieuwe gebouw

4.1   Atelierruimten

Figuur 10 toont een studentenruimte op de zolder die als eerste fase na de brand werd ingericht. Het is geheel in lijn met de denkwijze die reeds in het oude gebouw in gang was gezet: studenten moeten studeren in grote ruimten; zie daartoe nogmaals figuur 8. Gegeven dat uitgangspunt en gegeven de (oorspronkelijk) tijdelijke status van het gebouw zijn prima akoestisch maatregelen getroffen. Het plafond bestaat uit akoestisch vezelplaat die een gunstige prijs-kwaliteitsverhouding heeft. Een gouden greep is ook geweest om dikke vloerbedekking toe te passen. Vloerbedekking levert allereerst een redelijke hoeveelheid absorptie (maar het is net te dun om het predikaat “uitstekend” te verdienen) en voorkomt een hoop extra geluid in de vorm van klepperende schoenen en schuivende stoelen. De ruimten blijken in de praktijk redelijk te voldoen zolang de groepen sprekende studenten niet al te groot zijn (maximaal ca. zes) en de groepen voldoende rekening met elkaar houden. Dat gaat het beste als die groepen ongeveer hetzelfde werk verrichten. Het wordt lastig als de ene groep een overleg heeft terwijl in een andere groep één student een presentatie geeft aan zijn/haar groepsgenoten. Nick Vlaun heeft (o.a.) in dit soort ruimten geënquêteerd en komt tot conclusies die geheel in lijn zijn met de stortvloed aan (vaak negatieve) oordelen over open kantoren [[3]], [[4]].

 

Figuur 10:  Een atelierruimte in de zolderverdieping.

 

In de bespreking van het oude gebouw is het gebrek aan ruimten voor groepsonderwijs (een docent plus bijvoorbeeld 15 studenten) al genoemd; het was hét pijnpunt van het voormalige gebouw. Dat is helaas in het nieuwe gebouw niet anders; er is uit het oude gebouw geen wijze les getrokken. Om de problemen duidelijk te maken kopiëren we hier vier alinea’s die ook (ongeveer) in de webpagina D.80 Kantoren zijn gepubliceerd.

 

Figuur 11:  Studentengroepen aan het werk. Het blijkt goed mogelijk om te overleggen in kleine groepjes.

 

Het huidige bouwkundegebouw is gemodelleerd naar het gemiddelde architectenbureau. Merkwaardig toch dat men juist in architectenbureaus heel veel kantoortuinen aantreft. Praten architecten nooit? Wordt er nooit opgebeld door/naar architecten? Hoeven archi­tecten nooit geconcentreerd na te denken? Hebben architecten zich aangeleerd om slechts hun ogen te gebruiken? Of hebben juist architecten een bovenmenselijk vermogen tot concentratie?

 

 

Figuur 12:  Een tafelopstelling in een atelierruimte.

 

Figuur 12 geeft een illustratie van een groot dilemma in het onderwijs als lange tafels worden gebruikt zoals te zien in de figuren 10 en 11.

Het is zeer wel mogelijk om wat eenvoudig overleg te plegen als de discussianten zich dicht bij elkaar bevinden. De vier “vergaderaars” aan de linker tafel in figuur 12, aangeduid met V, kunnen hun gedachten vrij goed uitwisselen, zelfs als er meerdere gesprekken aan één tafel plaats vinden.

Echter, als de discussie plaatsvindt tussen alle aanzittenden aan één tafel (dus zoals bij de middelste en de rechter tafel) ontstaat een probleem. De spreker S moet worden verstaan door luisteraar L, maar helaas verstaat buurman/vrouw B de spreker veel beter, maar die had liever zijn/haar eigen spreker ongestoord verstaan. In een open kantoor worden dit soort situaties meestal vermeden door een afgesloten ruimte op te zoeken om te vergaderen, maar in het bouwkundegebouw bestaan dat soort ruimten nu juist nauwelijks. In het oude bouwkundegebouw werden schotten toegepast, in het nieuwe gebouw zijn die er (nog?) niet.

De situatie wordt iets minder slecht als ronde of vierkante tafels zouden worden toegepast. De verhouding tussen S-L en S-B wordt dan gunstiger.

Er is nog een effect dat pleit voor vierkante/ronde tafels: het richtingseffect van het menselijk hoofd. Als men tegen het achterhoofd van een spreker kijkt is de spraakverstaanbaarheid veel geringer. De kans om tegen een achterhoofd aan te kijken is bij een vierkante/ronde tafel een stuk kleiner dan bij een langwerpige tafel.

 

Eigenlijk is er een organisatorisch probleem als er aparte “klaslokaaltjes” zouden worden geschapen. Als studenten op zaal werken staan die leeg en als er juist in klaslokalen les wordt gegeven staan de ateliers leeg. Er is in het verleden in het oude gebouw wel gepoogd om dat dilemma roostertechnisch op te lossen door ochtend- en middaggroepen in te roosteren, maar het bleek niet te werken.

Anderzijds zijn de problemen kleiner indien de zalen in kleinere ruimten worden opgedeeld. Dat proces was min of meer spontaan in het oude gebouw op gang gekomen door allerlei schotten te plaatsen. Maar een indeling in kleine eenheden vereist dat de open-atelierfilosofie wordt opgegeven.

Eigenlijk is het wachten op de ontwerper die een slim systeem ontwikkelt om razendsnel wanden tevoorschijn te toveren en te laten verdwijnen.

 

Nog één akoestische opmerking tot besluit. Grote openzalen werden ook bedacht om meer studenten per vierkante meter te kunnen huisvesten. Dat is ten dele waar indien alle studenten hun mond houden. In de studiezaal van de TU-bibliotheek kan die situatie worden waargenomen.

Maar zodra studenten ook met elkaar praten is een redelijk afstand tussen de pratende groepen noodzakelijk teneinde onderlinge hinder te voorkomen. Daardoor daalt de studentendichtheid. In figuur 11 is de studentdichtheid niet bijster groot en de foto is exemplarisch voor het gebruik van het gebouw.

 

4.2   Collegezaal A

4.2.1      De situatie

Het huidige gebouw bevatte vóór 2008 twee grote collegezalen. Daarvan is er één gehandhaafd tijdens de verbouwing in 2008. Die zaal (“collegezaal A”) bevat thans ca. 380 zitplaatsen.

Vermoedelijk is de zaal in het gebouw ingebouwd tussen 1955 en 1960. Daartoe werden nogal wat kunstgrepen verricht die duidelijk worden in de figuren 13 en 14. Inwendig is een muur gesloopt en de raampartijen aan de rechterzijde zijn opgevuld.

Figuur 13:  Collegezaal A zoals ingebouwd In het gebouw. De groene lijn geeft de contouren, in figuur 14 staat een doorsnede. De zaal is 14.9 m breed aan de linkerzijde; het rechterdeel is wat smaller: 12.8 m. De zaal biedt in de huidige vorm plaats aan ca.380 toehoorders.

 

Figuur 14:  De ingebouwde ruimte had oorspronkelijk een ingebouwd plafond (in rood), waardoor de galm werd veminderd en de vroege reflecties werden versterkt [[5]].

 

4.2.2      Voor de beginner: enkele akoestische principes van de spreekzaal

In deze site wordt vrij uitgebreid stilgestaan bij het ontwerp van een spreekzaal, zowel vanuit de theorie (B.23 plus onderliggende formules) als vanuit het ontwerp (D.52). Het is hier dus niet de plaats om op de akoestische principes in te gaan, maar een paar vuistregels worden hier herhaald:

  • De nagalm dient zeer laag te zijn hetgeen kan worden bereikt met absorptie.

  • Publiek absorbeert geluid, maar in een spreekzaal is dat onvoldoende zodat aanvullende absorptiematerialen noodzakelijk zijn op wanden en/of plafond.

  • Als het publiek slechts mondjesmaat komt opdagen dienen absorberende stoelen de toehoorders te vervangen.

  • Het achtergrondgeluid in een zaal dient laag te zijn. Het wordt veroorzaakt door het aanwezige publiek, maar ook de ventilatie of de projectie-apparatuur kunnen lawaaiig zijn.

  • Het gaat uiteindelijk om een goede “signaal-ruisverhouding”. De spreker moet niet te zacht spreken t.o.v. het achtergrondgeluid. Maar het verschil tussen sprekers onderling kan zeer groot zijn, zodat de hedendaagse techniek met mikrofoon en luidsprekers nogal eens te hulp wordt geroepen.

  • Een versterkersysteem helpt wel om zachte sprekers op te krikken boven het achtergrondgeluid, maar het helpt helaas niet of nauwelijks in een galmende ruimte. Het systeem versterkt nl. ook de galm. Met wat trucs kan wel iets worden gecompenseerd (zie B.23.4) maar er gaat voor spraak niets boven een ruimte met weinig nagalm.

 

De gegeven aanbevelingen leiden tot les 1 van de akoestiek van spreekzalen: de zaal dient zo klein mogelijk te zijn.

 

In figuur 14 wordt een doorsnede van de zaal gegeven zoals die voor 2008 was ingericht. De zaal volgt alle akoestische lessen zoals die ook al in 1950 bekend waren. De ruimte is in onbehandelde staat zeer groot en de wanden bestaan uit stuc en beton. Het is dus een grote galmput. Het ingehangen plafond (in rood) verkleint de ruimte aanzienlijk. Daardoor wordt de galm bestreden en het plafond is dusdanig vorm gegeven dat zoveel mogelijk akoestische energie naar het publieksvlak wordt teruggekaatst. In 1960 was elektronische zaalversterking nog geen usance. Bij de luidere sprekers hoefde dat ook niet, bij zachte sprekers was de spraakverstaanbaarheid wellicht op het randje.

 

4.2.3      De sprinklerinstallatie als leidend principe en de uiteindelijke verbeteringen

 

Figuur 15:  Een Delfts voorstel ter bestrijding van het brandgevaar in de Sixtijnse Kapel in Rome.

 

De angst voor de brand zat er uiteraard goed in bij de verbouwing in 2008, overal zitten sprinklerinstallaties. In zaal A zouden in dat denkkader twee installaties nodig zijn: één boven het brandbare houten plafond en één eronder. Om dat te voorkomen werd het houten plafond grotendeels gesloopt, alleen de draagconstructie bleef in tact (figuur 16). Maar dat betekende ook dat de akoestische hemel om zeep werd geholpen. Zaal A was na de verbouwing één van de allerslechtste ruimten van het gebouw. De zaal was zo slecht dat er eigenlijk geen college te geven of te volgen was.

 

Figuur 16:  Zaal A van het Bouwkundegebouw nadat de dichte delen van het plafond (de rode lijn in figuur 14) waren gesloopt. De akoestische gevolgen waren desastreus, vooral omdat een grote ruimte boven het plafond mee ging galmen. De foto is genomen nadat de allerergste galm was bestreden met gordijnen. Later zou nog een ingrijpender verbetering worden uitgevoerd.

 

In een eerste poging tot verbetering werden zware gordijnen toegevoegd. Verder werden twee maal twee luidsprekers geönstalleerd, ongeveer zoals excessieve galm in een kerk wordt bestreden; de toehoorders krijgen dan veel direct geluid uit de luidsprekers te horen. In kerken gebruikt men dan meestal zuilluidsprekers om een sterk richteffect te verkrijgen (zie webpagina B.23.4), maar in zaal A werden helaas conventionele luidsprekers gebruikt.

Omdat de maatregelen niet afdoende waren is in 2014 een grootscheepser verbouwing uitgevoerd [[6]]. Op de wanden (met name de achterwand) is geluidabsorberend materiaal toegevoegd. Verder zijn de houten stoelen uit figuur 16 vervangen door absorberende exemplaren. Akoestisch baffles (loshangende akoestische absorbers) zijn opgehangen in de loze ruimte boven het oorspronkelijke plafond. De maatregelen hebben prima geholpen tegen de galm.

Het plafond is niet teruggerestaureerd. Dat betekent dat het spraakniveau bij de toehoorders laag blijft bij onversterkte spraak. Gelukkig is elektronische spraakversterking geen enkel probleem meer [[7]].

In de huidige situatie is door Huitema en Ten Caat onderzoek gedaan binnen het kader van een studentenopdracht. Er is gemeten en geënquêteerd en de uitkomsten waren positief. Klachten worden voornamelijk geuit over het lawaaiige ventilatiesysteem [[8]]. Maar al met al zijn er zoveel verbouwingen gepleegd dat een tweede sprinklerinstallatie waarschijnlijk goedkoper was geweest.

 

4.3   Kleinere collegezalen

Voor het geven van colleges kent het gebouw uiteraard ook een aantal ruimten met 40 tot 200 zitplaatsen. Bij de oplevering in 2008 waren dat meestal galmputten met slechte spraakverstaanbaarheid, maar zij werden vrij snel (lang voor de beslissing om permanent te blijven) alsnog akoestisch verbeterd. Er waren zelfs drie ruimten ingericht die opzettelijk verschillend waren. Eén ruimte had plafondabsorptie, een tweede kende vooral een absorberende achterwand (figuur 17) en in een derde werd met gordijnen geëxperimenteerd [[9]].

 

Figuur 17:  Een collegezaal voor ruim 40 toehoorders. De achterwand is bekleed met geluidabsorberend materiaal. Verder zijn gordijnen aangebracht. Het plafond is onbehandeld en bestaat uit geverfd beton.

 

Echter, echt goed zijn de meeste kleinere collegezalen nog steeds niet. In het begin was zaal A slechter dan de kleinere zalen (die zijn akoestisch ook simpeler te ontwerpen), maar door alle verbeteringen aan zaal A heeft die de kleinere zalen voorbij gestreefd. In voornoemd rapport van Huitema en Ten Caat wordt ook zaal B (voor ca. 150 toehoorders) onder de loep genomen. De waardering voor die zaal is duidelijk minder dan voor zaal A. In de zaal zit dan ook weinig geluidabsorberend oppervlak: het plafond van figuur 18 toont een betonnen constructie. Dit soort plafondconstructies was bij de verbouwing in 2008 nogal populair onder architecten, maar het was in het bouwkundegebouw meer dan een modegril; in een tijdelijke behuizing bespaart het nl. geld. Maar het betekent wel dat gordijnen nu het akoestisch werk moeten doen en die zijn onvoldoende op hun taak berekend. Eigenlijk verdienen ook de kleinere collegezalen alsnog een akoestische opknapbeurt [[10]].

 

Figuur 18:  Collegezaal B met ongeveer 150 zitplaatsen. Het plafond bestaat uit een betonnen plaat; voor de verbouwing van 2008 waren tegen de houten balkjes geluidabsorberende platen getimmerd die hun akoestische werk uitstekend deden

 

Een aantal kleinere zalen ligt aan een redelijk drukke straat waardoor in de zalen verkeerslawaai te horen was. In 2014 zijn de puien vervangen; het enkele glas werd vervangen door dubbel glas en de soms slecht sluitende houten kozijnen werden vervangen door aluminium exemplaren. Om te zorgen voor voldoende frisse lucht werd een ventilatiesysteem toegevoegd. Figuur 18 laat dat zien. Om het lawaai van een ventilatiesysteem te beperken dient de luchtsnelheid laag te zijn en dus moet de pijpdiameter groot zijn.

Toch is het systeem nog goed te horen tijdens colleges. Volgens eerder genoemd rapport van Huitema en Ten Caat is het thans het meest genoemde minpunt in zaal A. Ventilatiesystemen kunnen stiller worden gemaakt met aangepaste kasten en/of absorberende leidingen; in concert- en theaterzalen wordt dat bewezen. Maar die systemen zijn uiteraard ook duurder.

 

Een aparte vermelding verdient nog een zaaltje voor presentaties en lezingen. Het is gesitueerd in de oranje tribune waarop we in paragraaf 4.6 nog verder zullen terugkomen. Die oranje tribune was in de begintijd een paradepaardje. Het bevatte ook werkruimten die akoestisch heel aardig waren aangepast (met spuitpleister), maar het zaaltje eindigde hoog op de lijst met slechtste ruimten van de gehele TU. Dat heeft dan weer menig jaartje voortgesleept, maar figuur 19 toont de zaal na een akoestische opknapbeurt. Aan het plafond is niets gedaan, maar alle wanden zijn thans beplakt met poreus akoestisch schuim, zodat de spraakverstaanbaarheid flink is verbeterd.

 

Figuur 19: Een zaaltje voor lezingen dat oorspronkelijk een enorme galmput was. Er staat een gering aantal stoelen, zodat er ook weinig absorptie aanwezig is van toehoorders. Thans zijn de wanden beplakt met akoestische schuimplaten.

 

4.4   Werkruimten voor medewerkers

4.4.1      Veel variatie in ruimten

In de periode vóór 2008 was het gebouw in gebruik als administratief centrum en als faculteit Wiskunde. Het gebouw zat helemaal vol met (soms kleine) kamers. Het overgrote deel van die kamers is eruit gesloopt tijdens de verbouwing tot BK-gebouw. Een klein deel van de kamers is gehandhaafd en het hoeft geen betoog dat die kamers uiterst populair zijn onder de medewerkers. Werkgevers zijn vóór open kantoren, werknemers zijn er tégen. Maar, alweer, omdat het gebouw bedoeld was als noodvoorziening was de keuze voor open kantoren begrijpelijk.

De werkruimten van medewerkers variëren nogal in grootte. Het formaat van de zolderruimte uit figuur 10 wordt nergens gehaald, maar sommige zijn flink aan de maat.

Figuur 20:

Hier zien we een veel voorkomende situatie in het gebouw: vier traveeën bij 7.8m breedte, resulterend in een oppervlak van ca. 100 m2.

Er zijn achttien variabele werkplekken geschapen die in déze ruimte inderdaad variabel worden gebruikt. Dit in tegenstelling tot andere ruimten, want medewerkers met een relatief grote aanstelling negeren de wens tot variabele plekken massaal en bouwen hun eigen territorium.

Figuur 21:

Dit is één van de grootste ruimten voor medewerkers.

De lengte van de ruimte is 24.5 m, de breedte is 11.1 m, waardoor een vloeroppervlak ontstaat van 272 m2.

Het is een prettige werkruimte maar niet bepaald een voorbeeld van een hoge medewerkerdichtheid waarvan ontwerpers de mond vol hebben.

De kasten hebben geluidabsorberende deuren.

Figuur 22:

Er bestaan niet veel van dit soort situaties meer in het huidige gebouw: een gang met daarachter “klassieke” ruimten. De kamers zijn twee traveeën breed, het aantal medewerkers per kamer varieert nogal.

Deze situatie lijkt op die in het oude BK-gebouw. Daar was 5.4 × 5.4 m2 een veel voorkomende kamergrootte, waarbinnen 1 tot 5 medewerkers waren gehuisvest [[11]].

 

4.4.2      Akoestische maatregelen in 2008 en later

De ruimten uit de voorgaande figuren hadden bij de oplevering eind 2008 een redelijk akoestisch klimaat. Dat werd bereikt met vloerbedekking en kasten die absorberend waren uitgevoerd. De oorspronkelijke geluidabsorberende plafondplaten waren eruit gesloopt zodat een betonnen plaat overbleef met houten balkjes, zie figuur 23-links. Om de akoestiek te verbeteren werden de plafonds later alsnog absorberend uitgevoerd door tussen de balken geluidabsorberend materiaal toe te passen, figuur 23-rechts.

 

Figuur 23:  Door het hele gebouw waren de oorspronkelijke plafondplaten er bij de verbouwing van 2008 uit gesloopt. Bij de akoestische renovatie, vanaf ca. 2013, werden de ruimten tussen de balkjes opgevuld met geluidabsorberend materiaal van ongeveer 4 cm dik op een achterliggende luchtlaag van enkele centimeters.

 

Een tweede maatregel die effect sorteert is de toepassing van “geluidabsorberende foto’s”. Ze bestaan uit textiel waarop wordt geprint; er wordt voor gezorgd dat de inktlaag geluiddoorlatend blijft. De absorberende werking wordt vooral ontleend aan een laag absorptiemateriaal van ca. 4 cm die achter de geprinte laag wordt aangebracht. De koper kan zelf de foto aanleveren. In figuur 24 staat een aantal voorbeelden.

 

  Figuur 24:  Enkele voorbeelden van geluidabsorberende foto’s.

 

Veel van de foto’s zijn groot. En dat is terecht, want, zoals meermaals betoogd in deze site, het totaal absorberend oppervlak is bepalend in een ruimte en dat is het product van absorptiecoëfficiënt én het geometrisch oppervlak.

 

4.4.3      Vergaderruimten

In de meeste open kantoren worden aparte ruimten geschapen om een gesprek te voeren opdat de andere medewerkers niet worden gestoord. Ook in het huidige bouwkundegebouw zijn die (spaarzaam) te vinden. Die ruimten hebben over het algemeen een prima akoestiek. In 2008 waren sommige te galmend, in de huidige situatie is een akoestisch plafond en/of absorberende foto’s toegevoegd.

 

Figuur 25:  Een vergaderruimte. Deze heeft bij de opknapbeurt een akoestisch plafond gekregen plus een aantal absorberende foto’s.

 

Echter, meestal zijn er organisatorisch problemen: de ene helft van de tijd staan ze leeg, de rest van de tijd zijn er te weinig. De meeste ruimten hebben daarom een intekenrooster, maar het blijft altijd een beetje wringen omdat bijvoorbeeld een overleg met een paar studenten wel moet kloppen met hun rooster. Er ontstaat daardoor een duidelijk verschil tussen de ochtend- en de middagbezetting.

 

4.5  Concentratie- en belplekken

4.5.1    Geconcentreerd werken voor studenten en medewerkers

De Technische Universiteit Delft creëert plekken waar studenten in alle stilte kunnen werken. Gezien de hoge bezetting van de zalen in het gebouw van de Centrale Bibliotheek is er veel vraag naar; er blijkt slechts met moeite aan de vraag te voldoen. Figuur 26-linksboven toont een overzicht van de grote zaal van de CB. Er wordt vooral geblokt voor tentamens, slechts weinigen verrichten er studiewerk dat direct gerelateerd is aan de bibliotheek. De akoestische omstandigheden zijn er goed, want de akoestische eis voor geconcentreerd werken (minder dan 35 dB) wordt meestal wel gehaald. De zaal moet, gemeten per aanwezige, zo ongeveer de stilste ruimte van de TU zijn. Er worden echter alsnog oorproppen verkocht, kennelijk is 35 dB voor sommige studenten nog te veel (figuur 26-rechtsboven).

 

Figuren 26:

In de studiezaal van de Centrale Bibliotheek heerst een goed akoestisch klimaat, maar desondanks gebruiken studenten toch nog oorproppen of koptelefoons.

Ook het Bouwkundegebouw kent zo’n ruimte in de bibliotheek. De plekken worden nauwelijks gebruikt voor literatuurstudie; het zijn vooral stilteplekken die in de rest van het gebouw niet te vinden zijn.

Ook de bibliotheek van het Bouwkundegebouw bevat werkplekken. In het oude gebouw waren zij meestal bezet door studenten en medewerkers die er literatuuronderzoek  deden, maar in het nieuwe gebouw zien we vooral een ruime bezetting van studenten die andere taken verrichten (figuur 26-onder). Het zijn ook eigenlijk de enige plekken in het gebouw waar stilte heerst.

 

Hebben ook medewerkers behoefte aan plekken om geconcentreerd te werken? Je ziet ze zelden op de plekken in de bibliotheek en nergens hangt daar een bordje “alleen voor studenten”. Het antwoord op de vraag zou dus “nee” kunnen zijn, maar anderzijds wordt deze paragraaf 4.5 geschreven na kritiek op een eerdere site-versie waarin een behandeling van stilteplekken ontbrak.

De vraag naar stilteplekken voor medewerkers is in ieder geval groter dan het aanbod en eigenlijk zegt Bouwkunde dat medewerkers dan maar thuis moeten werken. Dat is merkwaardig: ondanks de grote vraag naar concentratieplekken voor studenten zegt niemand binnen de TU dat studenten thuis moeten werken.

 

4.5.2    Plekken om op te bellen

Figuren 27:

In het Bouwkundegebouw zijn plekken ontworpen om op te bellen. In de praktijk wordt vooral in de gangen gebeld. Dat werkt goed, al blijven de daartoe aangebrachte voorzieningen leeg.

 

 

Van alle plagen die in de vakliteratuur aan het open kantoor worden toegedicht staat “opbellen door collega’s”  in de meeste publicaties op de eerste plaats. Die collega’s zijn zich daar wel degelijk van bewust, althans in het Bouwkundegebouw: bij de eerste beltonen proberen zij zich uit de voeten te maken om hun kantoorgenoten niet te storen. Maar waar moeten ze heen? De meest gebruikte belplek is de gang, waar vaak meerdere bellers op een rijtje kunnen worden gezien. Echter, de speciale voorzieningen die zijn aangebracht worden daarbij meestal genegeerd, figuur 27. Dat is vreemd, men moet toch ook wel eens een aantekening maken?

 

Maar er zijn binnen het gebouw gemeenschappelijke kantoren waar helemaal geen gang in de buurt is. Waar moeten de opgebelden dan heen? Als een vergaderruimte vrij is wordt die meestal gebruikt, maar dat is lang niet altijd het geval.

En het omgekeerde komt ook voor. Exemplarisch, zo niet hilarisch, is de deelnemer aan een vergadering die wordt opgebeld. Met de kreet “deze móet ik even aannemen” stormt de beller de vergaderruimte uit. Maar die komt uit op een kantoorruimte waar vervolgens minimaal zes medewerkers worden ingewijd in de problemen van de beller.

Er is, kortom, behoefte aan hedendaagse telefooncellen. Die zijn dan bij voorkeur voorzien van een stoel en tafeltje om aantekeningen te maken. Maar er zijn ook plekken nodig waar men achter een laptop kan zitten. Die is nodig om een wetenschappelijk telefoongesprek te kunnen voeren, maar ook beeldverbindingen (met de laptop als camera) worden steeds vaker gebruikt.

 

4.6   De Serres

Figuur 28 toont een luchtfoto van het gebouw waarop de tamelijk ingewikkelde structuur te zien is. Er waren vier U-vormige ruimten tussen de buitengevels en besloten werd, omdat het gebouw eigenlijk te klein was, om twee van die ruimten op te vullen met een “Serre”.

 

Figuur 28:

De beide serres, gebouwd na 2008. Op de foto zijn ze te herkennen aan de platte daken met daglichtkoepels. In de rechter serre op de foto (de “Zuidserre”) is een maquettewerkplaats voor studenten gemaakt. De linker “Oostserre” bevat de werkruimten voor “The Why Factory, a global think-tank and research institute” (zie hun website voor details).

Figuur 29:

De “Zuidserre”. Dit is de werkplaats waar studenten hun vormstudie-werkstukken, maquettes, e.d. kunnen maken. Het plafond bestaat uit een geprofileerd metalen dak. Omdat het staal geperforeerd is (zie par. 2.13 in webpagina C.1) en voorzien van absorptiemateriaal heerst er een aangenaam akoestisch klimaat.

De serre is voorzien van twee insteekverdiepingen, waarvan er één zichtbaar is.

Figuur 30:

Onder de insteekvloeren bevinden zich de werkplaatsen. Daar staan allerlei bewerkings­machines waarvan sommige flink wat geluid produceren.

Merkwaardig is dus dat het plafond onder de insteekvloer niet-absorberend was en daarom moest later alsnog absorptiemateriaal worden toegevoegd. Dat heeft geholpen, maar het betekent niet dat het geluidniveau van de draaiende machines nu gering is; oorbeschermers zijn nog steeds noodzakelijk.

Figuur 31:

De “Oostserre” heeft hetzelfde geluidabsorberend plafond als de Zuidserre.

De serre bevat werkplekken voor studenten. Op de oranje tribune kunnen toehoorders plaatsnemen bij lezingen.

 

Onder de tribune bevinden zich werkkamers en een zaaltje voor lezingen. Over de deplorabele akoestiek van het zaaltje is in paragraaf 4.3 al geschreven. Het zaaltje is thans flink verbeterd.

Foto’s:  Fotoarchief Bouwkunde en Lau Nijs

 

4.7   Het Ketelhuis als “restaurant”

In de luchtfoto van figuur 28 is rechts van de zuidserre een klein vrijstaand gebouwtje te zien; dat is het voormalige ketelhuis. Na de brand werd dat deel als eerste ontwikkeld tezamen met de zolderruimten. Toen in 2008 vrijwel alle medewerkers nog buiten het gebouw waren gehuisvest, werden zij hier ontvangen door de decaan om met het gebouw kennis te maken.

Van de toespraak van de toenmalige decaan werd weinig verstaan. De ruimte bleek een galmput want er was geen geluidabsorberend materiaal aangebracht. Toen een medewerker aan de decaan een vraag stelde over de zijns inziens belabberde akoestiek riep de decaan uit: “maar de akoestiek is hier prachtig”. Wie had er gelijk, de medewerker of de decaan?

Trouwe gebruikers van deze site weten dat voor de beantwoording van deze vraag allereerst moet worden bezien wat de functie is van de ruimte. Een spreekzaal, bijvoorbeeld, is klein en bevat tamelijk veel geluidabsorptie, een muziekzaal is groot en heeft alleen absorptie door het publiek en een kantine is vrij groot en volgepropt met absorptie. Genoemde decaan is een verdienstelijk amateurmusicus en waarschijnlijk beoordeelde hij de akoestiek vanuit die optiek. Inderdaad zou het ketelhuis waarschijnlijk prima hebben geklonken bij een pianorecital, maar het probleem was dat het ontwerpteam juist de kantine in het ketelhuis wilde vestigen. De akoestiek was dus niet berekend op zijn functie, temeer daar hier geen absorberend tapijt werd toegepast zoals in de rest van het gebouw.

 

Figuur 32:

Het Ketelhuis in gebruik als kantine. De opening in de achterwand leidt naar een aparte ruimte.

De akoestiek was matig tot slecht, want geen van de gebruikte materialen leverde een substantiële bijdrage aan de geluidabsorptie. Ook de kussens waren omkleed met kunststof.

Figuur 33:

De aparte ruimte naast de kantine bevat een aantal absorberende platen hangend aan het plafond. Echt veel is het niet, maar de akoestiek was er toch flink beter dan in de hoofdruimte zodat lunchgangers vaak probeerden in deze ruimte door te dringen. Vaak was de ruimte echter vol.

Uiteraard is het ketelhuis drastisch aangepakt nadat besloten was om in het gebouw te blijven. Dat is te zien in de figuren 34. De ruimte is vanzelfsprekend nog geen oase van stilte, het blijft tenslotte een kantine. Maar het is thans tenminste mogelijk om tijdens het eten ook een gesprek te voeren zonder te schreeuwen.

Figuren 34a t/m 34d:

Tegen het plafond zijn akoestische baffles aangebracht om de absorptie op te voeren (linker foto). De foto boven toont de toevoeging van akoestische vezelplaat op een aantal betonnen vlakken. De onderste twee foto’s tonen extra absorberende constructies rond eettafels.

 

 

4.8   De bibliotheek

Het oude BK-gebouw bestond uit een laagbouw en een hoogbouw (zie nogmaals figuur 2). De laagbouw bestond uit een kelder, een begane grond en een eerste verdieping. Tussen hoog- en laagbouw bevond zich een ruimte van ongeveer anderhalve meter en alleen de hoogbouw is afgebrand. De schade aan de laagbouw was echter niet gering: in de kelders stond meer dan een meter bluswater en de kantine werd verpulverd toen een deel van de hoogbouw instortte. De bibliotheek bleef echter vrijwel ongeschonden, zodat het boekenbezit naar een bibliotheek in het nieuwe gebouw kon worden overgebracht. De nieuwe bibliotheek is vanaf het begin één van de paradepaardjes van het gebouw geweest. Het ziet er mooi uit en het akoestisch klimaat is er prima.

 

Figuur 35:

Er zijn ons geen meetresultaten bekend, maar het verbluft ons iedere keer weer hoe goed boekenstellingen geluid absorberen.

De getoonde ruimte zou zonder boekenkasten behoorlijk galmen. De vloerbedekking is prima, maar wanden en plafond zijn verder van beton en glas. Met kasten klinkt de ruimte toch zeer aangenaam.

 

De goede absorberende werking ligt overigens niet voor de hand, boekomslagen zijn niet van geluidabsorberend materiaal gemaakt. Het effect verdient nadere studie.

 

Figuur 36:

De akoestiek wordt voor een deel bepaald door de toepassing van vloerbedekking, maar er is niet bewust veel extra geluidabsorptie toegepast.

 

5.    Conclusie

In het oude gebouw van Bouwkunde (1970-2008) is decennia lang getobd met de akoestiek in de grote open ruimten; de rest van het gebouw was goed tot uitstekend. Over het gebouw dat in 2008 is betrokken, kan hetzelfde oordeel worden geveld. De akoestiek was direct na de inhuizing in 2008 nogal slecht. Dat was niet alleen vanwege “weinig geld en haast”, maar ook door het gebrek aan aandacht voor het hoorbare deel van de architectuur. Gelukkig is de akoestiek van een ruimte vaak nog aan te passen en dat is in de jaren ná 2008 ook gebeurd.

Maar het grootste manco van het oude gebouw vinden we precies hetzelfde terug in het nieuwe gebouw: het is zeer lastig om te onderwijzen en te discussiëren in groepen van ca. 20 personen, de grote open atelierruimten zijn hiertoe ongeschikt. Dat is ten dele een organisatorisch probleem, maar er zou toch op zijn minst eens een kleinschalige proef met compartimentering kunnen worden gedaan. Dan kan ook worden “gemeten” of dat beter werkt dan de open-atelierfilosofie. Die compartimentering kwam in het oude gebouw spontaan op gang en leidde tot zeer lelijke ruimtes. In het nieuwe gebouw zou een goede organisatie en een goed ontwerp zelfs tot aantrekkelijke ruimten kunnen leiden.

 

In één opzicht is het nieuwe gebouw zelfs slechter dan het oude gebouw: in het nieuwe gebouw zijn veel meer open kantoren dan werkkamers en open kantoren zijn in de akoestische literatuur berucht. Een goed open kantoor is wel degelijk te ontwerpen, maar dan moeten ze ruim voorzien zijn van afsluitbare vergaderruimten, stilteplekken voor geconcentreerd werken en plekken om op te bellen. In het huidige gebouw zijn die er onvoldoende.

Genoemde manco’s vormen een welhaast onoplosbaar probleem voor het Bouwkundegebouw en misschien wel voor ieder onderwijsgebouw. De vraag naar diverse ruimten varieert nl. in de tijd. ’s Ochtends kent het gebouw een ander gebruik dan ‘s middags of ’s avonds; een te grote vraag naar overlegruimten in de middag is dan gekoppeld aan leegstand in de ochtend.

 

 

 


[1]       O. Máčel, I. Schutte, J. Wegner, “Architectuurarchief Technische Universiteit Delft”, Delft, Publikatieburo Bouwkunde, 1993 (?)

[2]       Wellicht hebben de platen bijgedragen aan de verspreiding van de brand. Pas na 1970 is er aandacht gekomen voor de brandwerendheid van akoestische vezelplaten.

[3]       Nick J.V. Vlaun,  “Sound working environments”, Delft, Faculty of Architecture, 2015.

         Overigens is de enquête slechts een deel van zijn studie. Er is ook gepoogd een ontwerpmiddel te ontwikkelen voor de computer, teneinde de akoestiek van een ruimte snel en doeltreffend te kunnen voorspellen.

[4]       Zie ook webpagina D.80 waar een paar literatuurstudies worden vermeld met oordelen over open kantoren.

[5]       In webpagina B.1 wordt geluid besproken in de vorm van stralen. Een verdeling in "vroeg en laat geluid" voor de spraakverstaanbaarheid wordt op meerdere plaatsen genoemd en behandeld, het meest uitgebreid in B.22. Daar wordt ook uitgelegd wat de invloed is van geluidabsorberende materialen.

[6]       We zijn dan dus zes jaar verder. Een hele studentengeneratie heeft delen van het onderwijs gemist. We moeten maar hopen dat dat in de toekomstige praktijk niet al te zeer te merken valt.

[7]       Maar niet alle sprekers waarderen elektronische spraakversterking. Mikrofoon en zender zitten meestal nauwelijks in de weg, maar een spreker kan moeilijk controleren of het geluid uit de luidspreker op de goede (vooral niet te luid) sterkte in de zaal aankomt. Een bedieningspaneel in het midden van de zaal, zoals in veel theateropstellingen, is in de collegezaal nog geen usance.

[8]       Allard Huitema & Pieter N. ten Caat, “ A study regarding the acoustic quality at the Faculty of Architecture and Built Environment in Delft”, TUDelft, Faculty of Architecture and Built Environment, Master Programme Building Technology, 2015.

[9]       Het is helaas nooit gekomen tot een echt goede evaluatie.

[10]     Deze werkwijze komen we in de praktijk zeer vaak tegen. Echt slechte situaties worden prima opgeknapt, maar “matige” situaties blijven onbehandeld.

[11]     Het zou interessant zijn om eens een dichtheidsstudie te doen. Het is immers een veelgebruikt argument dat in een open kantoor meer mensen per vloeroppervlak kunnen worden gehuisvest. Onze hypothese is dat, als er al een verschil is tussen het oude en het nieuwe gebouw, de dichtheid in het nieuwe gebouw lager is.