Samenvatting akoestische maatregelen
-
Er mag niet van worden uitgegaan dat blinden betere oren hebben dan zienden.
Soms integendeel, de lokalisatie van een geluidbron kost een blinde meer moeite.
-
In ruimten voor slechtzienden moet altijd veel absorptie worden aangebracht. De
regels voor slechthorenden gelden ook hier.
-
Echter, blinden en slechtzienden kunnen wanden horen ("facial vision") waardoor
die (op oorhoogte) beter niet absorberend kunnen worden uitgevoerd. Dat stelt
dus nog hogere eisen aan de akoestische kwaliteit van het plafond.
-
Kleine ruimten vergroten de mogelijkheid tot oriëntatie via tastzin en gehoor.
Ruimten dienen afgesloten te zijn met deuren.
-
Vides kunnen de akoestische en visuele (voor slechtzienden) kwaliteit schaden
omdat ze een overmaat aan geluid en licht veroorzaken. Dit geldt vooral ook in
scholen.
1. Typen slechtzienden
Net als bij slechthorenden zijn er ook categorieën van slechtzienden. Bij mensen
met een lichte handicap richt alles zich op het verbeteren van de visus. Dat
begint bij een bril en breidt zich uit naar grote-letterboeken, een leesloep,
enz. Naarmate de handicap toeneemt wordt steeds meer een beroep gedaan op andere
zintuigen: het gehoor, de reuk, de tastzin.
Die zintuigen hebben een "actieradius". De tastzin blijft beperkt tot arm- of
beenlengte. De reuk, het oor en het oog kunnen bronnen op vele kilometers
onderscheiden, maar dat hangt in alle gevallen af van de sterkte van de bron in
verhouding tot de andere bronnen. Daarom is de modale reuk gekoppeld aan een
actieradius van een paar meter, kunnen we aan het oor een maximum van 100 meter
toekennen (in het verkeer bijvoorbeeld) maar doet het oog het ook op een paar
kilometer nog prima. Ogen bieden ook veel meer detail als het bijvoorbeeld nodig
is om naderende auto's in te schatten [[1]]. Maar er
hoeft maar mist op te komen of de nacht hoeft maar te vallen en ook bij het oog
wordt de signaal-ruis-verhouding te ongunstig [[2]].
Door de komst van kunstverlichting kunnen we in binnenruimten voor het grootste
deel op onze ogen vertrouwen [[3]]. Bij
slechtziendheid of blindheid verschuift de focus, vanwege die actieradius,
allereerst naar het oor; op korte afstand vertrouwen de meeste slechtzienden en
blinden vooral op hun tastorgaan. Dat kan dan nog worden verlengd met de
blindenstok, maar het gebruik hiervan lijkt makkelijker dan het is en het is
lang niet alle slechtzienden gegeven om ermee om te gaan.
2. Typen ruimten
Het ontwerp van een woonhuis voor een blinde verschilt niet veel van het ontwerp
voor een doorsneehuis, al zijn er allerlei details waar (nog) beter over moet
worden nagedacht om te bevorderen dat een blinde de weg vindt en te voorkomen
dat hij of zij overal tegen aan loopt (een trap midden in een ruimte
bijvoorbeeld).
Een blinde moet uiteraard niet in een galmput wonen. Dat stoort de
verstaanbaarheid van gesproken woord net als bij zienden, maar de lokalisatie
van geluidbronnen lijdt er ook onder. Verder kunnen sommige mensen een krant
lezen in een lawaaiige omgeving, maar het luisteren naar een gesproken krant
wordt daar onmogelijk.
Echter, een blinde zal zeker leren om zich in zijn/haar eigen woon- of
werkomgeving te bewegen [[4]]. Lastiger is de oriëntatie in "half-bekende"
ruimten: gangen en trappenhuizen nabij de woning, de school, de werkomgeving, de
bedrijskantine, enz. En dan is er weer een verschil tussen "gemengde"
omgevingen, waar zienden zich niet altijd evengoed inleven in de situatie voor
blinden en speciale instellingen waar blinden en slechtzienden bij elkaar wonen.
We komen daar in de laatste paragraaf op terug.
3 Hebben blinden betere oren?
Blinden en slechtzienden moeten veel meer woekeren met hun oren dan zienden,
waardoor sommige eigenschappen beter getraind zijn. Er waren zelfs stemmen die
blinden een "zesde zintuig" toedichtten om muren te vinden en dus om hun weg te
vinden in een ruimte. Het verschijnsel wordt "facial vision" genoemd. In 1944
publiceerden Supa, Cotzin en Dallenbach echter een artikel waarin met behulp van
proefpersonen werd aangetoond dat die oriëntatie puur akoestisch is. Dus: geen
geluid, geen oriëntatie [[5]]. Daarna,
in 1950, hebben Cotzin en Dallenbach nog een artikel aan het fenomeen gewijd [[6]], maar na
die tijd is er (voor zover ons bekend) weinig aandacht aan besteed in de
vakliteratuur. Dat kan betekenen dat het verschijnsel dagelijkse kost is
geworden (zodat publicaties niet langer nodig zijn) of dat het belang van het
verschijnsel niet zo groot is. Wij vermoeden het laatste.
Er zijn wel observaties beschreven van het effect. John Hull [[7]]
beschrijft zijn verbazing over facial vision als hij steeds blinder wordt, maar
te vrezen valt dat John Hull een gunstige uitzindering vormt. In dat geval kan
een architect ook niets met het effect. Breder onderzoek, waarin de anekdotiek
wordt overstegen, ontbreekt echter.
Een tweede effect dat bij blinden een belangrijke rol speelt is
"bronlokalisatie", waarbij iemand een geluidbron moet zien te vinden in een
ruimte. Ook hier zijn blinden zeker beter getraind dan zienden die bij
bronlokalisatie hun ogen veel meer laten meespreken, maar ook hier gelden de
gebruikelijke akoestische wetten.
We zullen de effecten eerst behandelen vanuit akoestisch oogpunt, daarna gaan we
na of een architect de omstandigheden kan beïnvloeden teneinde de effecten te
bevorderen.
4. De vleermuismens
4.1 Geluidreflecties tegen objecten
Al eerder (in het theoriedeel) is figuur 1 getoond. Een geluidbron wordt
gespiegeld in een harde wand en de afstand tot een spiegelbron is altijd langer
dan de directe lijn tussen bron en waarnemer. De figuur geeft een voorbeeld
waarin de loopafstanden van direct en gespiegeld geluid 14 en 30 m zijn.
Aangezien de snelheid van het geluid gelijk is aan ca. 340 m/s, zijn de
bijbehorende looptijden gelijk aan 0.04 en 0.09 s.
Figuur 1: De loopweg vanaf een
spiegelbron (groen) is altijd langer dan van het directe geluid (rood). Het
geluid van een pulsvormig signaal arriveert dus in volgorde van de afgelegde
weg.
De rechter figuur geeft een zogenaamde “pulsresponsie”. De groene reflectie komt
altijd later binnen dan het rode directe geluid. Als geluidbron en mikrofoon
vrijwel samen vallen, dus als de mikrofoon de oren representeert van een
sprekende geluidbron, ligt de rode puls vrijwel op nul en geeft de
tijdvertraging tot de groene puls een indicatie over de afstand tot de muur.
Vleermuizen maken gebruik van het effect om obstakels te vermijden. Zij zenden
zelf korte, hoogfrekwente geluidjes uit en kunnen aan de hand van het
tijdverschil een afstand schatten tot het object.
Getuige wat filmpjes op internet van fietsende blinden maken ook mensen gebruik
van dit effect. De desbetreffende persoon (toevallig altijd een jongeman) klikt
voortdurend met zijn tong en vindt zo zijn weg tussen obstakels. Er zijn op het
net ook trainers te vinden die mensen uitrusten met klikkende kikkertjes uit de
speelgoedwinkel als pulsbron om ze te leren van het effect gebruik te maken.
Helaas staan akoestische wetten een brede toepassing van het fenomeen in de weg.
Ten eerste zijn vleermuizen ongeveer de enige zoogdieren die er gebruik van
maken en bovendien gebruiken die ook nog hoogfrekwent geluid. Daardoor zijn
kleine obstakels veel makkelijker te horen, maar bij 1000 of 2000 Hz, waarmee
menselijke oren het moeten doen, is het echt onmogelijk om de reflectie van een
boomtak van een paar centimeter doorsnee te horen. Kortom: het kan helpen, maar
de gemiddelde slechtziende kan toch maar beter niet op de fiets stappen om een
bosritje te maken.
Anderzijds is het wel degelijk mogelijk om de reflecties van grote obstakels
zoals een muur te horen. Voorwaarde is echter dat de reflectie van één muur
dominant is; het gemiddelde oor is niet in staat om de richting van meerdere
reflecties (met min of meer gelijke sterkte) te onderscheiden. Buitenshuis zijn
gevels te horen; sommige blinden tikken met hun stok op straat en luisteren naar
de reflecties. Dat gaat dan weer niet als er veel ander stoorgeluid aanwezig is.
Binnenshuis werkt het indien één reflectie flink luider is dan de andere, dus
als de tikkende stok veel dichter bij de ene muur is dan bij de andere en ook
weer als er verder geen stoorgeluiden aanwezig zijn.
Het zal tenslotte duidelijk zijn dat een muur alleen hoorbaar is als de
geluidenergie niet al te veel wordt geabsorbeerd.
4.2 Kleuring van geluid
We mogen ervan uitgaan dat de gemiddelde mens in staat is om tijdverschillen
tussen pulsen te horen van 5 á 10 ms. Een tijdvertraging van 5 ms komt overeen
met een afstand van ruim anderhalve meter, zodat verder geplaatste objecten te
horen zijn als ze luid genoeg zijn t.o.v. het stoorgeluid.
Waarschijnlijk is de spreiding tussen mensen erg groot, maar bij kortere
looptijdverschillen dan 2 ms lopen de geluiden in elkaar en is een reflectie
niet meer te onderscheiden van het direct. Fysisch is het tijdverschil er
uiteraard nog wel, maar nu zijn vooral faseverschillen tussen direct geluid en
reflectie te detecteren. De geluiddruk van sommige frekwenties wordt daardoor
versterkt; tussenliggende frekwenties worden verzwakt (knopen en buiken). Ons
gehoor kan die toonhoogteverschuivingen goed waarnemen; het wordt meestal
"repetition pitch" genoemd [[8]]. Soortgelijke fase-effecten heten in de
zaalakoestiek "kleuring" en worden daar meestal als negatief bestempeld, maar
kleuring zorgt ervoor dat het mogelijk is om een nabije muur te horen. Of
liever: de kleuring zelf is niet goed te horen maar bij nadering van een muur
hoort men de toonhoogte oplopen.
In dit geval is het effect gekoppeld aan maximale looptijdverschillen in de orde
van 2 ms. Dat komt overeen met een afstand van 68 cm, dus met een afstand van 34
cm tot de muur.
Supa et al. (nogmaals [4]) laten het effect zien met foto en al. Een blinde
stopt inderdaad op korte afstand van de muur. Echter, de gemiddelde blinde zal
dan allang op zijn of haar handen zijn overgegaan om de muur te lokaliseren.
Waarschijnlijk levert een mengvorm van oren en handen het beste resultaat.
Supa et al. noemen ook nog een voorwaarde: geen geluid, geen facial vision. Iets
of iemand moet dus geluid maken in de ruimte. De blinde zou dat zelf kunnen doen
door met de mond een ruisachtig signaal te produceren; de kleuring is dan het
beste te horen. Het is duidelijk dat dat niet veel voorkomt. Er bestaan wel
elektronische hulpmiddelen die op het effect gebaseerd zijn en een vleermuis
nabootsen [[9]].
Er is hier weer een merkwaardige tegenstelling tussen licht en geluid. Het is
heel normaal om in een ruimte een centrale lichtbron te ontsteken waarvan alle
aanwezigen in die ruimte gebruik maken. Er zijn ons geen gevallen bekend waarin
één centrale geluidbron wordt gebruikt, bijvoorbeeld een ruisend fonteintje in
het midden. De hypothese is dat de negatieve effecten van de centrale geluidbron
groter zijn dan de positieve. De signaal-ruis-verhouding neemt namelijk af.
4.3 Zijn geluidabsorberende materialen te horen?

Het "schilderij" op de foto is een absorberend paneel dat is aangebracht (tegen
een harde muur) om excessieve nagalm in de ruimte tegen te gaan. Kan de mevrouw
op de foto de overgang tussen paneel en harde muur horen als ze haar oor
evenwijdig aan de muur beweegt?
Het antwoord is "ja" als ze haar oor minder dan een paar centimeter van het
paneel houdt. Het is ook mogelijk om te horen of de grijze deur open staat of
dicht, maar veel meer dan deze drie categorieën (hard, absorberend, open) kan
een gewone sterveling niet horen. Ons oor is niet goed genoeg om meer nuances in
geluiddruk en kleur te horen.
Als de afstand van het oor tot de wand wordt vergroot neemt de scherpte waarmee
de overgang te horen is af. Dat is een fysisch gegeven: buiging van geluid en
van licht hangt af van de golflengte. Die is bij licht tussen 400 en 800 nm
(nanometer), bij geluid 400 mm bij 800 Hz. Dat is direct terug te vinden in de
scherpte van de overgang; die is veel beter zichtbaar dan hoorbaar. De open deur
is wel degelijk op het gehoor te vinden, maar de schatting kan makkelijk 10 of
20 cm fout zijn, waardoor de deurpost wordt geraakt. Het verdient dus
aanbeveling om te luisteren en tegelijkertijd de handen te gebruiken [[10]].
5 Lokalisatie van een geluidbron door blinden
In 1951 publiceerde Haas een artikel waarin een effect werd beschreven dat later
naar hem werd genoemd [[11]]. Volgens
Haas lokaliseren wij een bron met de allereerste binnenkomende geluidenergie van
een signaal. De meest verrassende uitkomst was dat die beginenergie meer dan 10
dB lager mag zijn dan de energie die daarna, via galm, wordt opgebouwd. Zelfs in
ruimten met tamelijk veel galm of met veel ruis kunnen we nog lokaliseren.
Lokaliseren hangt af van het signaal. Pulsvormige signalen doen het goed; spraak
en ruis ook, omdat daarin allerlei discontinuïteiten voorkomen. Een bron die een
continue sinus uitzendt is echter zeer lastig te vinden omdat we in de war raken
van faseverschillen die op meerdere wijzen door onze hersenen worden
geínterpreteerd.
Lokalisatie hangt dus af van de verhouding tussen het signaal enerzijds en
anderzijds galm en/of achtergrondlawaai. Het gaat in een geluiddode kamer dan
ook beter dan in een galmkamer. Verder is in een ruimte met veel sprekers weer
een goede verhouding noodzakelijk tussen het signaal en de ruis van de overige
sprekers. Er treden dus dezelfde effecten op als bij zienden; de vraag is of we
hogere of lagere eisen kunnen stellen bij blinden.
In webpagina's van de Radboud Universiteit Nijmegen staat een discussie over de
vraag of blinden beter kunnen lokaliseren dan zienden. Het antwoord is negatief.
In het horizontale vlak (of liever: het vlak van de oren) is de lokalisatie even
goed of slecht als bij zienden; in het verticale vlak scoren blinden veel
slechter. Kennelijk bieden de ogen hierbij veel steun [[12]], [[13]]. Als we
dus de akoestische eigenschappen van een ruimte moeten koppelen aan akoestische
kwaliteit, kunnen we (voorlopig?) het beste de normen aanhouden zoals die zijn
ontwikkeld in het voorgaande deel over slechthorendheid.
6. Consequenties voor het akoestisch ontwerp van een ruimte
Enkele jaren terug is een boek gemaakt waarin ideeën werden gegeven voor een
instelling voor slechtzienden en blinden [[14]]. Omdat
het ook bedoeld is voor slechtzienden staat er veel meer in dan alleen
akoestische oplossingen. Het gaat ook over (heel veel) licht, kleur, (tastbare)
belijning, enz.
Op akoestisch gebied staat er niet zoveel in dat voor slechtzienden wezenlijk
anders is dan voor zienden. Met andere woorden: gebruik veel geluidabsorberende
materialen teneinde de oren zo goed mogelijk ter wille te zijn. Op die manier
worden allerlei akoestische verschijnselen het best gediend. En dan gaat het om
bronlokalisatie, verstaan in rumoer, maar ook over het voorlezen van de krant
door de computer.
Er zijn een paar punten die aandacht verdienen omdat ze wat kritischer zijn dan
in de reguliere architectuurpraktijk:
-
Het is lastig om een grote ruimte over te steken. Blinden kunnen zich dan
moeilijk oriënteren. Een simpele plattegrond van relatief kleine rechthoeken
biedt de meeste zekerheid.
Een kleine ruimte is akoestisch in het voordeel. In instellingen voor
slechtzienden wordt er dan ook altijd naar gestreefd om alle ruimten met deuren af
te sluiten. Dat is beter voor de oriëntatie en het helpt akoestisch om de
signaal-ruisverhouding te verbeteren.
-
Het toepassen van vides wordt ontraden. Ze zijn allereerst vaak onnodig groot
(bovenstaand punt) maar verstoren bij slechtzienden de oriëntatie omdat de
lichttoetreding te onvoorspelbaar en te contrastrijk is. Op z'n best wordt het
akoestisch klimaat niet geschaad, maar vaak bevordert een vide de transmissie
van geluid over meerdere verdiepingen waar dat ongewenst is.
-
Er woedde in Engeland recentelijk een discussie over moderne scholen die te open
zijn voor slechthorende en slechtziende kinderen. Zij kunnen bronnen niet meer
lokaliseren en de hoeveelheid achtergrondgeluiden is te groot. In sommige
scholen ontbreken zelfs deuren in klaslokalen waardoor slechtzienden en
slechthorenden het werken onmogelijk wordt gemaakt.
-
Hoewel we vermoeden dat de modale slechtziende niet vaak "facial vision"
toepast, zouden we de muren toch niet al te absorberend maken. Absorberende
schotten zijn ook onhoorbaar. Anderzijds kunnen plaatselijke gordijnen,
boekenkasten e.d. de oriëntatie wellicht bevorderen.
-
Omdat de hoeveelheid absorptie aanzienlijk moet zijn om de aanbevelingen uit de
voorgaande pagina te halen, betekent dit impliciet dat een plafond in een
school, instelling, werkruimte, enz, enz. van de allerhoogste absorptieklasse
dient te zijn. Het bekleden van de bovenrand van wanden komt ook in aanmerking.
-
Tapijt op de vloer bemoeilijkt het akoestische deel van stoklopen. Sommige
mensen voelen niet alleen met de stok maar tikken er ook mee op de grond als
zendsignaal.
Met het laatste punt komen we tevens bij het lastigste onderdeel:
architectonische variatie.
In gebouwen voor zienden helpen kleur en vorm van een ruimte om aan te geven
waar men zich bevindt; in gebouwen voor slechtzienden is dat mogelijk met
tactiele verschillen. Akoestisch is variatie zeer lastig. Als een sterk
absorberende ruimte bijvoorbeeld wordt afgewisseld door een galmende, betekent
dat automatisch dat die galmende ruimte slechter is. Hoogstens kunnen de gangen
bijvoorbeeld wat minder sterk bekleed zijn, maar juist daar is het wel weer
handig als een tegemoet komend persoon op waarde wordt geschat. We kunnen
akoestisch simpelweg niet genoeg "kleuren" en "grijstinten" onderscheiden.
Binnen een ruimte is er wel wat afwisseling mogelijk met vloerbedekking of
gordijnen. Zij kunnen in een ruimte het gevoel voor richting verbeteren. Maar
vloerbedekking kan het beste worden gebruikt om tactiele verschillen aan te
duiden. Akoestisch gezien werken ze niet geweldig en moeten de absorberende
prestaties eerder van andere materialen worden verwacht.
Ook zeer lokale akoestische verschillen werken nauwelijks. Bij een zeer goed
absorberend plafond kunnen blinden ongetwijfeld horen dat er boven hun hoofd een
reflecterende plaat van een vierkante meter is aangebracht. Daarmee kan
bijvoorbeeld een zone bij de deur worden gemarkeerd. Maar een overgang in type
vloerbedekking of een slimme beëindiging van een geleiding geeft de zone veel
scherper aan.