TULogo
Inleiding
A. Spreken en horen
B. Theorie
C. Absorptievoorbeelden
D. Ontwerpregels
D.10 Sportzaal
D.12 Zwembad
D.20 Restaurant
D.22 Van trappenhuis tot atrium
D.24 Museum
D.26 Bibliotheek
D.40 Slechthorenden
D.42 Slechtzienden
D.44 Inst. Verst. Gehandicapten
D.46 Normen instellingen
D.50 Lokaal basisschool
D.52 Spreekzalen, alle maten
D.60 Meer ruimten in 1 gebouw
D.62 Bioscoop
D.64 Conservatorium, Muziekschool
D.70-A Muziekzaal, begrippen
D.70-B Concertzaal, ontwerp
D.71 Operazalen
D.72 Mikrofoons in de zaal
D.73 Variabele akoestiek
D.74 Zalen voor lichte muziek
D.80 Kantoren
E. PDF's
F. Artikelen
G. Colofon

De onderlinge geluidisolatie van meerdere ruimten in één gebouw

 
 

1.    Inleiding

1.1    Zendniveau, ontvangniveau en geluidisolatie

In vrijwel alle webpagina's van deze site is alleen het geluid besproken met de bron en een waarnemer in één ruimte. Zo is bijvoorbeeld de spraakverstaanbaarheid in een klaslokaal uitvoerig aan de orde gekomen. Maar een schoolgebouw verenigt vrijwel altijd een aantal klaslokalen gescheiden door gangen. Het is dan uiteraard de bedoeling dat in een bepaald klaslokaal les kan worden gegeven zonder storing van buitenaf. Geluid komt dan bijvoorbeeld uit de gang of een naburige ruimte, maar ook verkeerslawaai van buiten het gebouw speelt een rol.

Er spelen in het schoolvoorbeeld een paar aspecten:

  • Verkeerslawaai kan worden bestreden via een goede geluidisolatie van de gevel. Dat viel en valt buiten het bestek van deze website. Maar verkeersgeluid kan in veel gevallen ook worden bestreden door klaslokalen aan de stille kant van een gebouw te situeren en de gang als buffer te laten dienen.

  • De onderlinge situering van functies is cruciaal. Het is in een schoolgebouw verleidelijk om een centrale ruimte te maken en daar lokalen omheen te groeperen, maar als in de centrale ruimte de kantine wordt gesitueerd zullen alle zeilen moeten worden bijgezet om toch een goed akoestisch klimaat te scheppen. Een alternatieve situering van de kantine maakt het leven van de ontwerper een stuk eenvoudiger.

  • Het is ook altijd verstandig om het gymlokaal enigszins apart in het gebouw te situeren.

  • Het gebruik van de ruimten speelt ook een rol. Een joelende meute in een galmende gang kan in het aanliggende lokaal onhoorbaar worden gemaakt met een speciale zware (studio)deur, maar de hinder wordt ook beperkt als n de gangen absorberend materiaal wordt aangebracht en de groep tot stilte wordt gemaand.

 

Het schoolgebouw is hier als voorbeeld geïntroduceerd, maar altijd kan een uitgekiende functieverdeling, goede onderlinge geluidisolatie en veel absorptiemateriaal borg staan voor een uitstekende school; de geproduceerde vermogens zijn meestal niet geweldig hoog. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld hotels, ziekenhuizen of de meeste gebouwen waarin gehandicapten samenwonen. Maar aandacht voor de aankleding van de afzonderlijke "woon"ruimten, gangen, eetruimten, enz. blijft noodzakelijk en gaat helaas te vaak fout [[1]].

Er zijn ook gebouwen waar de geluidproductie wel aanzienlijk kan zijn: een bioscoop met meerdere zalen of een muziekschool waar ook drumlessen worden gegeven of trompet wordt geoefend [[2]]. In dat soort gevallen is de vraag altijd: hoeveel geluid wordt in de "zendruimte" geproduceerd en hoeveel mag daarvan in de "ontvangruimte" doordringen. Het verschil tussen die twee grootheden is de benodigde geluidwering.

In een school zijn de eisen aan de ontvangkant vrij streng, maar is de geluidproductie nooit vreselijk hoog (even afgezien van het gymlokaal of de kantine), zodat de benodigde geluidwering wel mee valt. In een bioscoop is de geluidproductie vrij hoog en zijn de eisen aan de ontvangkant redelijk streng, waardoor de benodigde geluidwering hoger moet zijn. De strengste eisen aan het ontvangniveau worden gesteld in een opnamestudio of een concertzaal. Als de geluidproductie rondom de studio gering is zijn de isolatie-eisen niet zo hoog [[3]], maar als in hetzelfde gebouw tegelijkertijd een tweede popband speelt zijn de technische problemen slechts met de grootste moeite oplosbaar.

 

1.2    Zeer stille ruimten

De hoogste eisen aan het achtergrondniveau worden gesteld in muziekstudio's en concertzalen. Vaak wil men voor geluidopnamen achtergrondniveaus aanhouden die dicht bij de gehoordrempel (0 dB) liggen. Daartoe moet allereerst het verkeerslawaai worden buitengesloten, hetgeen meestal geschiedt door de ruimte diep in het gebouw te situeren. De gebouwschil om de ruimte dient dan als buffer en de gevel wordt dubbel uitgevoerd. Dat is met moderne techniek te realiseren omdat de piekgeluidniveaus van het verkeer zelden 80 dB overschrijden [[4]]. Als dan vervolgens iedereen op kousenvoeten door het gebouw sluipt zijn stille opnamen mogelijk.

Maar soms bevinden zich meerdere ruimten in het gebouw die gelijktijdig worden gebruikt. In een naburige ruimte wordt dan op 100 dB (of nog meer) gemusiceerd, zodat er een isolatie van 100 dB tussen de ruimten nodig is. De geluidisolatie tussen twee woningen is in de orde van 50 tot 60 dB, zodat duidelijk is dat er in een studio/concertgebouw nogal wat moet gebeuren.

De simpelste oplossing is om zowel zend- als ontvangruimte sterk te isoleren en ze vervolgens ver uit elkaar te leggen. Het gaat dan om vele meters en het ligt voor de hand om de tussenruimte een functie te geven. Bij concertzalen kan worden gedacht aan de foyer, maar ook daar wordt geluid geproduceerd, weliswaar geen 100 dB, maar op 80 dB moet toch wel worden gerekend. Als de foyer dan dubbel wordt gebruikt (pauze in de ene zaal, muziek in de andere) zijn er vaak toch nog problemen. In bijvoorbeeld het Rotterdamse concertgebouw De Doelen (uit 1966) zijn daarom ook de foyers gescheiden. Eigenlijk zijn daar meerdere gebouwen onder één dak gerealiseerd want zelfs de ingangen zijn apart.

  

2.    Geluidisolatie tussen ruimten, toch enige beschouwingen

2.1    Literatuur over geluidisolatie

Het valt buiten het bestek van deze website om geluidisolatie te behandelen; er is ook helemaal geen theoretische verhandeling over isolatie gegeven. Toch willen we er hier enige woorden aan wijden. Er zijn voor de liefhebber heel wat boeken te vinden, waarvan hier twee Nederlandse standaardwerken [[5]], [[6]] en twee Engelstalige [[7]], [[8]] worden genoemd. Zeer interessant voor deze webpagina's is ook het rapport dat Adviesbureau Peutz in 1991 heeft geschreven voor de Rijksgebouwendienst [[9]]. Hier leunen we op dit laatste werk, al houden we het bewust wat vaag. In het oorspronkelijke rapport staan ook expliciet muurmassa's, vloerdikten, materialen voor deuren, enz. Dergelijke details worden in onze site nauwelijks gegeven.

 

 

2.2    Een muur

De norm voor een woningscheidende constructie ligt in Nederland bij ca. 52 dB [[10]]. Daartoe is een monolithische wandconstructie nodig van 400 à 500 kg/m2. Indien uitgevoerd in metselwerk moeten beide kanten ook nog gestuukt worden om geluidlekken via de voegen te voorkomen. Indien in gebouwen met vijf dB minder isolatie kan worden volstaan zijn lichtere muren (ca. 300 kg/m2) afdoende.

 

 

2.3    Spouwconstructie

Een enkelvoudige wand zal in scholen meestal afdoende zijn, maar in een bioscoop zijn de geproduceerde geluidniveaus hoger en dan is een spouwconstructie wenselijk bestaande uit twee wanden met een luchtspouw, al dan niet gevuld met geluidabsorberend materiaal.

In een woning worden vaak "ankerloze spouwmuren" toegepast van bijvoorbeeld 2 ´ 200 mm met een spouw van 100 mm die dan wordt gevuld met minerale wol. Dat levert, bij goede uitvoering, 5 dB of meer extra isolatie ten opzichte van de enkele wand. Die wanden worden in de woningbouw gebruikt omdat 52 dB van de enkele wand een "goede" waarde is, maar bewoners vaak een "uitstekende" geluidisolatie verwachten.

Metalstudwanden kunnen ook worden gebruikt, maar dan is dubbele beplating met zware gipsplaten en eventueel ontkoppelde regels noodzakelijk [[11]]. Het totale gewicht van de wand is dan lager dan bij beton of metselwerk, maar echte "lichtgewicht"-wanden (van bijvoorbeeld 20 kg/m2 of nog minder) bestaan niet in de akoestiek.

 

Een opgevoerde geluidisolatie kan worden bereikt door de massa van de beide muren op te voeren, maar de isolatie wint ook bij een grotere spouwbreedte. De spouw wordt, bij een hoge isolatie-eis, vaak opgerekt tot één of meerdere meters, waarbij de ruimte kan worden benut voor de leidingen. In nog bredere "spouwen" kunnen uiteraard ook publieksfuncties worden gepland. Twee concertzalen met een tussenliggende foyer vormen in principe ook een spouwconstructie. Probleem is dan weer dat ook in zo'n "spouw" geluid wordt geproduceerd.

 

 

2.4    Geluidabsorberend materiaal in de spouw

 

Via een spouw wordt geluid overgebracht van de zend- naar de ontvangzijde. Dat transport gaat via trillende lucht [[12]], dus als we erin zouden slagen om de amplitudes in de spouw te verkleinen wordt extra isolatie geïntroduceerd. In de praktijk zorgt absorptiemateriaal voor de benodigde wrijving. In een smalle spouw (tot pakweg een meter) gebeurt dit door een laag minerale wol aan te brengen. In ruimten toegankelijk voor het publiek kunnen maatregelen worden getroffen die we vele malen in deze site tegenkomen: een gang, een tussenliggende foyer, e.d. kan met (plafond)absorptie worden behandeld.

 

In allereerste benadering is het geluidniveau in een ontvangende ruimte gelijk aan het niveau in de zendruimte minus de geluidweerstanden van de beide tussenliggende wanden. Maar helaas verminderen bij een smalle spouw de spouwresonanties het effect; we gaan er hier niet verder op in. Bij brede spouwen (een gang e.d.) is de sommering van beide geluidisolaties wel een aardige eerste gok. Er moet een extra term worden meegenomen voor het geluidveld in de spouw, maar bij een goede absorptie in de tussenruimte is die extra term in de orde van 0 dB. Echter, volgens de theorie geeft iedere halvering van de absorptie in de "spouw" een verslechtering van 3 dB en aangezien een factor 10 tussen een goed gedempte gang en een kale betonnen gang mogelijk is, kan dus een verslechtering van de totale geluidisolatie van 10 dB worden gevonden door een kale gang toe te passen. Dat moet dan dus worden gecompenseerd door hogere geluidisolatie van de beide aangrenzende wanden. Dat is dus een keuze tijdens het ontwerpproces; we komen daarop nog terug in de voorbeelden van hoofdstuk 3.

In publiekstoegankelijke bufferruimtes helpt absorptiemateriaal nog sterker doordat mensen in de tussenruimte ook nog eens zachter gaan praten (het meergenoemde Lombardeffect).

 

 

2.5    Contactgeluid

 

 

 

Loopgeluiden van de bovenburen vormen een veelgenoemd probleem in de woningbouw. Daarom is er ook een norm voor contactgeluidisolatie. Om die norm te halen kan een dikke vloer (300 mm) worden gebruikt. In de praktijk vindt men ook vaak een verende toplaag in de vorm van een tapijt. Dat reduceert het contactgeluid veel meer dan een laag parket direct op het beton, maar op tapijt is het lastiger om met een karretje te rijden. Tapijt wordt soms ook ongewenst genoemd vanwege het onderhoud [[13]].

De contactisolatie van parket kan worden verhoogd door een verende laag, maar een nog beter resultaat kan worden bereikt door de totale constructie verend te maken. Zo'n "zwevende dekvloer" heeft dan een relatief dunne bovenlaag van beton op een verende tussenlaag die op de eigenlijke dikke betonplaat ligt. Het hangt uiteraard weer af van het geluid dat boven wordt geproduceerd en de functie van de onderste ruimte welke constructie kan worden gekozen.

 

 

 

2.6    Horizontaal contactgeluid

 

Contactgeluid van de bovenburen komt het meeste voor, maar als zeer stille ruimten moeten worden gecreëerd moet met meer overdrachtswegen rekening worden gehouden. In de bovenste figuur stoot een bron aan de rechterzijde de gehele constructie aan. Zowel de verticale muur als de doorlopende vloer stralen geluid af [[14]]. Ook hier helpt tapijt of een zwevende dekvloer weer (middelste figuur), maar nog rigoureuzer is de ontkoppeling van de vloer in de onderste figuur. Hetgeen overigens weer niet betekent dat de ontkoppeling totaal is, want de luchtlaag draagt nog wel degelijk enig geluid over [[15]].

 

 

2.7    Onderling geïsoleerde ruimten

 

Als constructiedelen worden ontkoppeld ontstaat een zelfstandige ruimte die in het jargon "doos" wordt genoemd. Zo'n unit wordt dan op de draagconstructie gelegd met tussengevoegd verend materiaal als bouwvilt, rubber of stalen veren (in de figuur in rood getekend). Datzelfde gebeurt met de ontkoppelde gangvloer van de voorgaande paragraaf.

De figuur toont één verdiepingslaag, maar vaak worden de dozen ook gestapeld. Dat vereist specialistische draagconstructies. Het ligt dan vooral voor de hand om lichtgewicht dozen te gebruiken, maar dat doet uiteraard de geluidisolatie afnemen. Het vinden van een compromis behoort tot één van de uitdagingen van de hedendaagse bouwakoestiek. Het blijft hier verder onbehandeld.

 

 

2.8    Doos-in-doos-constructie

 

De voorgaande constructie dient vooral om de onderlinge geluidisolatie tussen de ruimten in orde te krijgen. Als ook de isolatie naar de buitenwereld groot moet zijn wordt over de verzameling dozen weer een extra huid gezet. Dan wordt vaak gesproken over "doos-in-doos-constructie". Vooral bij popcentra, concertgebouwen en studio's wordt deze manier van bouwen gebruikt. De ruimte tussen de binnen- en buitenhuid bedraagt minimaal een paar decimeter, maar soms wordt de ruimte benut om er de installaties en leidinggoten in onder te brengen; dan is de ruimte in de orde van één tot drie meter. De ruimte kan nog veel groter zijn als in de "spouw" functies worden ondergebracht die zelf niet zo veel geluid produceren. Te denken valt aan opslagruimten, kantoorruimten of de foyer (mits goed uitgevoerd). Het hoeft geen betoog dat ook de buitenhuid voldoende massa moet hebben. Een dunne metalen golfplaat of een lichtgewicht sandwichpaneel voldoen meestal niet aan de eisen.

 

 

2.9    Ventilatie

 

Ruimten moeten worden geventileerd en dat schept weer extra problemen omdat overspraak via de ventilatiekanalen op de loer ligt. De figuur toont hoe het niet moet. Het shunten van kanalen is een minimale eis; verder kan gebruik worden gemaakt van geluidabsorptie in die kanalen of in de openingen in de zaal. Om bij een doos-in-doosconstructie de lucht naar buiten af te voeren worden vaak volumineuze coulissendempers toegepast. Bij een doos-in-doos-constructie staan die dan veelal in de ruimte tussen de bovenzijde van een zaal en de daklaag.

Het hoeft geen betoog dat het aanbrengen van een goede ventilatie specialistenwerk is. Het gaat de kennis van de modale architect ver te boven, maar helaas geldt dat ook voor de modale installateur. Er is veel expertise vereist bij de keuze van kanalen, afzuigroosters, enz. enz.

 

2.10  Deuren en sluizen

Men moet een zaal natuurlijk ook nog kunnen betreden en daartoe bevat een ruimte altijd toegangs- en vluchtdeuren [[16]].

Ook deuren moeten zwaar zijn om hun geluidwerende functie te kunnen verrichten, maar de theorie biedt één reddingsboei: de geluidtransmissie is evenredig met het oppervlak. Dus als de deur tienmaal zo klein is als de wand, mag de geluidreductie van de deur zelf ook 10 dB minder zijn [[17]].

Geluid plant zich ook voort door de kieren van een deur. Deuren kunnen daarom worden uitgerust met speciale kierdichting en hang- en sluitwerk waarbij de deur extra wordt aangetrokken. Er zijn (stalen) studiodeuren die zeer geschikt zijn voor hun functie. Probleem is dat men in publiekszalen geen onderrand wil toepassen om het struikelen van bezoekers te voorkomen. Valdorpels (die omlaag vallen als de deur gesloten wordt) zijn dan een alternatief.

 

Ook bij deuren biedt een "spouwconstructie" van bijvoorbeeld twee stel deuren vele mogelijkheden. Een akoestische sluis is een constructie van enkele of dubbele deuren gecombineerd met veel geluidabsorberend materiaal. Er zijn een paar grondvormen te onderscheiden in de volgende figuren. In alle gevallen wordt daar aangenomen dat de geluidbron zich in de "verkeersruimte" bevindt. Dat kan dus ook een foyer of een kantine zijn.

 

 

1.  Alleen deuren

Het is mogelijk om een akoestische scheiding te maken met een enkele deur, zonder dat men zich verder bekommert over de akoestische eigenschappen van de ruimten aan weerszijden van die deur. De deur moet dan het (zware) werk opknappen. Een deur van de bouwmarkt haalt 20 dB, een goed uitgezocht exemplaar kan 35 dB halen, maar er zijn ook heel speciale deuren die meer dan 60 dB halen.

 

2.  Enkele deur plus absorptiemateriaal

In de tekening is (in rood) absorptie toegevoegd in de ruimten aan weerszijden van de deur. Het kan als materiaal op de wanden en/of als plafondabsorptie.

Absorptie helpt om het geluidniveau van een bron te verlagen, maar helpt ook aan de ontvangzijde. Dan kan eventueel een simpeler deur worden gebruikt als de isolatie-eisen niet al te streng zijn.

 

3.  Een "kanaal" aan de binnenzijde

Ten opzichte van situatie 2 is een wand toegevoegd met heel veel geluidabsorberend materiaal. Hoe groter de lengte L, des te hoger de geluidisolatie, zoals dat ook bij ventilatiekanalen het geval is.

Dit zijn bouwkundige oplossingen die in bioscoopzalen nogal eens worden gevonden. Men betreedt de zaal dan langs het zitgedeelte.

 

 

 

4.  Een "kanaal" aan de buitenzijde

In de voorgaande situatie bevond de deur zich aan de buitenzijde van de absorberende ruimte. Het maakt echter akoestisch weinig uit of het kanaal aan de binnen- of de buitenzijde zit.

 

 

5.  Dubbele deuren

Dit is een voorbeeld van een geïntegreerde dubbele deur. De spouwbreedte is in de orde van 20 tot 40 cm. In de randen is "randabsorptie" toegepast.

In de tekening is in de rest van de ruimte absorptie aangebracht. Dat is verstandig maar niet in alle gevallen noodzakelijk.

 

 

6.  Een sluis

Zoals in situatie 5 zijn dubbele deuren toegepast. Omdat de spouw tussen de twee deuren veel groter is (en tevens goed gedempt) is de isolatie nog hoger dan in het voorgaande geval.

 

In alle voorbeelden wordt aangenomen dat de deuren gesloten zijn indien er geluid wordt geproduceerd. Maar bijvoorbeeld in een discotheek lopen de gasten constant in en uit. Het is voor omwonenden vaak de grootste klacht: de isolatie van het podium naar buiten is uitstekend, de geluidsluizen zijn op hun taak berekend, maar iedere keer gaat de deur open en golft er geluid naar buiten. Lange sluizen van vele meters (gangen dus, of zelfs gedempte trappenhuizen), eventueel met driedubbele deuren zijn dan noodzakelijk.

 

3.    De rangschikking van ruimten

3.1    Enkele basisplattegronden

Er volgen thans enkele plattegrondvoorbeelden waarin de onderlinge relatie van twee zalen wordt beschouwd. Telkens wordt in zaal 1 geluid geproduceerd en we onderzoeken de plaats van de deuren [[18]] en de eigenschappen van de verkeersruimte(n) rondom die zalen. De akoestische aankleding van de zalen heeft wel degelijk invloed, maar er wordt hier vanuit gegaan dat zij op hun taak zijn berekend. Er is in de zaal dus voldoende geluidabsorptie om bijvoorbeeld een les, een muziekuitvoering of een film te kunnen volgen.

 

 

3.1.1

Getekend zijn twee zalen met een tussenliggende gang. De deuren liggen tegenover elkaar.

Er wordt geluid overgedragen via weg A door twee muren, maar vrijwel altijd zal die overdracht te verwaarlozen zijn ten opzichte van pad B: de directe overdracht via de deuren. In de gang ontstaat een galmveld waarvan de sterkte afhankelijk is van de geluidabsorptie in de gang (pad C). Als de muren niet van bordkarton zijn zal pad B verreweg het meeste geluid overdragen.

 

 

 

3.1.2

Als de deuren diagonaal worden gesitueerd wordt de directe overdracht via pad B uit 3.1.1 sterk gereduceerd. Pad A is weggelaten; er wordt verondersteld dat de isolerende muren op hun taak zijn berekend.

Nu speelt de overdracht via geluidreflecties in de gang een rol (pad C/D) en wordt de keuze van absorberende materialen in de verkeersruimte essentieel. In paragraaf 3.2 wordt een voorbeeld doorgerekend.

 

 

 

3.1.3

In naastliggende zalen is de spouw veel smaller dan in situaties 3.1.1 en 3.1.2, zodat pad A wel degelijk een rol kan spelen.

Via buiging dringt bovendien geluid door van zaal 1 naar zaal 2; aangegeven met pad B. Maar meestal zullen de reflectie tegen een overliggende wand (pad C) plus het galmveld (D-in en D-uit) meer energie overdragen dan pad B, waardoor de aankleding van de verkeersruimte/foyer bepalend wordt voor de totale geluidoverdracht

 

 

 

 

3.1.4

De verkeersruimten en toegangen zijn gescheiden. Pad A zal uiteraard hetzelfde blijven, maar de overige paden mogen wel worden verwaarloosd.

Dit is de situatie met de hoogste geluidisolatie maar het is ook de duurste omdat de netto-ruimte van de zalen er het kleinst is. Maar dat geldt eigenlijk altijd: een goede geluidwering kost extra materiaal en ruimte.

 

 

 

 

3.1.5

Als, ten opzichte van plattegrond 3.1.3, de toegangen van de zaal uit elkaar worden gehaald zal pad A uiteraard hetzelfde blijven. Maar pad B mag wel worden verwaarloosd.

Pad C uit 3.1.3 is nu onderdeel van het totale galmveld in de verkeersruimte: D-uit en D-in. Het resultaat hangt sterk af van de akoestische materialen in de verkeersruimte/foyer.

 

 

 

 

3.1.6

Als de overdracht via de verkeersruimte in voorbeeld 3.1.5 een probleem vormt, kan er uiteraard een extra deur in. Een dergelijk strikte scheiding vindt men vooral bij concertgebouwen en studio's waar de hoogste vorm van isolatie vereist is.

 

3.2    Een rekenvoorbeeld: twee zaaltjes aan weerszijden van een gang

In de volgende figuur is een voorbeeld doorgerekend om de situering van deuren in twee zalen te illustreren. De figuur is het resultaat uit een berekening met Catt-Acoustic. Maar dit programma kan de invloed van deuren niet berekenen en daarom wordt gewerkt met open verbindingen. Ook dan is het mogelijk om onze stellingen te illustreren door situaties onderling te vergelijken.

De situatie bestaat uit twee zaaltjes van 10 ´ 7 m2, gescheiden door een gang van 2 m breed. In de bovenste twee figuren liggen de "deuren" precies tegenover elkaar, in de onderste twee zijn de "deuren" opzettelijk gescheiden. De situatie representeert een spreker in de linker ruimte en de vraag is hoeveel geluid daarvan in de rechter ruimte doordringt. Daartoe worden de geluidniveaus (in dB) berekend.

"Deuren" tegenover elkaar. De gang heeft een absorptiecoëfficiënt van 4%.

"Deuren" tegenover elkaar. De gang heeft een absorptiecoëfficiënt van 28%.

Absorptiecoëfficiënt van de gang is 4%.

"Deuren" worden gescheiden gehouden.

Absorptiecoëfficiënt van de gang is 28%.

"Deuren" worden gescheiden gehouden.

 

Beide zaaltjes zijn redelijk goed gedempt om de spraakverstaanbaarheid in orde te krijgen. De gemiddelde absorptiecoëfficiënt van de zaaltjes is gelijk aan 28%. Maar de overdracht in de gang kan afhangen van de geluidabsorptie in de tussenliggende gang. Daarom is in de linker twee figuren de gang onbehandeld: de gemiddelde absorptiecoëfficiënt is slechts gelijk aan 4%, dus iets beter dan kale beton en/of glas. In de rechter figuren is de gang behandeld met geluidabsorberend materiaal waarbij ook daar de absorptiecoëfficiënt gelijk gekozen is aan 28%.

 

Zoals valt te verwachten doet de gang niet zoveel ter zake als de openingen tegenover elkaar liggen. Het geluidniveau is rechtsboven is 1 à 2 dB lager dan linksboven. De gescheiden oplossing in de onderste twee gevallen leidt tot hogere reducties. Maar de gang moet dan wel zijn behandeld, want in een betonnen/glazen gang plant het geluid van de linker opening zich veel makkelijker voort naar de opening van de rechter zaal. Er is daarom tussen linksboven en linksonder een verschil te zien van slechts enkele dB's. Toevoeging van absorptie helpt wel degelijk getuige het verschil tussen rechtsboven en rechtsonder. De som van beide effecten (situering en absorptie) wordt geïllustreerd door vergelijking van linksboven en rechtsonder; de winst nadert tot 10 dB.

 

Er kunnen allerlei architectonische redenen zijn om de bovenste opstelling te verkiezen boven de onderste. Maar er moeten dan wel zwaardere deuren worden gekozen om de eventueel vereiste reductie te halen. Dat geldt als beide zalen tegelijk in gebruik zijn. Soms echter stroomt één van de zalen leeg, terwijl de voorstelling in de andere zaal doorgaat. Ook dan is de constructie rechtsonder in het voordeel, mede omdat het tumult in de gang wordt beperkt.

 

De gegeven dB-waarden gelden voor een “normale spreker” in de linker zaal. Bij een filmvertoning kan het brongeluid 30 dB luider zijn. Dan kunnen alle geluidniveaus in de figuren met 30 dB worden opgehoogd en blijft de onderlinge vergelijking tussen de situaties dus gelijk.

 

4.    De praktijk

In de volgende webpagina's D.62 en D.64 worden twee gebouwen wat nader beschouwd: de bioscoop en de muziekschool. In beide gevallen zijn de eisen voor de onderlinge verschillen tussen twee zalen redelijk groot.

Er zijn gevallen waar de eisen minder zijn. In een school bijvoorbeeld zijn de geluidniveaus in de lokalen relatief laag, zodat er met stevige, enkele deuren en een gang met tamelijk veel absorberend materiaal altijd wel een goed plan te maken valt. In een school zijn het gymlokaal of het muzieklokaal de akoestische probleemkinderen, omdat in beide lokalen het geluidniveau aanzienlijk hoger is. Meestal krijgen die lokalen een plaats toegewezen aan de randen van de school. Ze zijn dan met extra deuren in relatief lange, goed absorberende gangen te isoleren van de andere lokalen. Dat zou ook moeten gelden voor de kantine, maar het is in de architectonische mode om die centraal in het gebouw te situeren en dat vereist dan weer extra maatregelen per lokaal. Handiger is het om ook voor de kantine een plaatsje apart te zoeken.

Qua geluidniveaus is een school vergelijkbaar met een hotel, een ziekenhuis of een gebouw waarin een aantal verstandelijk gehandicapten samenwonen. Dat is bouwtechnisch prima te doen, maar dan moeten de muren uiteraard niet van bordkarton zijn. Muren mogen wel iets minder zijn dan woningscheidende muren, maar deuren zullen van een zwaarder kaliber moeten zijn dan de standaarddeuren die in een woning worden toegepast. Verder vereist de (geluidabsorberende) afwerking van de gangen veel aandacht om overdacht tussen de ruimten tegen te gaan en moet een afzonderlijke plek worden gezocht voor centrale (eet)ruimten.

 

Er zijn weer andere gevallen waarin de eisen aan de onderlinge geluidisolatie juist weer hoger zijn dan in een bioscoop of een muziekschool. Geluidstudio's en concertgebouwen voor klassieke of populaire muziek vallen in die categorie. Een strikte scheiding tussen gebouwdelen (zalen, maar ook foyers) is dan onvermijdelijk. Bij onvoldoende isolatie zit er weinig anders op dan de afzonderlijke zalen niet tegelijkertijd te gebruiken.

In de ruimte rondom de zalen kunnen allerlei functies worden gepland die zelf ook geluid produceren. Als een foyer en een zaal bij elkaar horen geeft dat weinig problemen, al zijn er voorbeelden van gebouwen waarin het personeel de koffiekopjes en de glazen voor en na de pauze zeer voorzichtig moeten behandelen om in de zaal niet gehoord te worden. Dergelijk aangepast gedrag komt vaker voor. Het rode licht in een studio maant langslopende mensen tot stilte en schoolkinderen worden tijdens lesuren gevraagd hun geluidproductie op de gang te dempen.

Maar als een beperking aan voorbijgangers of koffiedrinkers ongewenst is, zit er weinig anders op dan te ontwerpen volgens de situaties 3.1.4 of 3.1.6. Omdat die situaties meestal duurder zijn, is het zoeken naar het ideale compromis een belangrijke taak van de architect.

 

 

 


[1]       Het huisvesten van gehandicapten in een standaard eengezinshuis komt voor, maar is eigenlijk onmogelijk zonder een grondige aanpassing van zo'n woning.

[2]       Een trompet haalt wel 105 dB; daar kan echt geen schoolkind tegenop.

[3]       Klassieke kamermuziek wordt nog wel eens in kleine kerken opgenomen. Dan wordt 's nachts opgenomen en de straat afgezet. Maar er zijn wel degelijk CD's waar men op de achtergrond (heel zacht) auto's hoort langs rijden.

[4]       Dat geldt uiteraard niet als het gebouw bij een vliegveld wordt gebouwd. En er zijn ook wel degelijk klassieke concerten stil gelegd omdat er een daverende onweersbui over trok. Als dat eens in de  paar jaar voorkomt is het wellicht acceptabel; er zijn uiteraard grenzen aan de kosten die men voor geluidisolatie kan en wil uitgeven.

[5]       L.C.J. van Luxemburg & H.J. Martin, "Geluidisolatie", in: A. van Tol, "Jellema, Bouw­kunde 7A", Delft, 1984, jaartal geschat.

Helaas is dit voortreffelijke boek (uit ca. 1984) niet opgenomen in latere series van Jellema. Men probere dus deze versie te bemachtigen. In de TU-BK-bibliotheek wordt het zorgvuldig bewaard.

[6]       P.E. Braat-Eggen & L.C.J. van Luxemburg, "Geluidwering in de woningbouw, Leiden, Spruyt, Van Mantgem en De Does, 1992.

[7]       F.J. Fahey, P. Gardonio, "Sound and structural vibration", Londen, Academic Press, 1985, 2007.

[8]       István L. Vér, Leo L. Beranek, "Noise and vibration control engineering", New York, John Wiley, 1992, 2006.

[9]       Rob Metkemeijer, "De akoestische kwaliteit van conservatoria, inventarisatie en globale richtlijnen", Adviesbureau Peutz in opdracht van het Ministerie van onderwijs en wetenschappen en de Rijksgebouwendienst, 1991.

Het rapport is/was openbaar en waarschijnlijk heeft het zelfs even op het internet gestaan. Het dreigt in de vergetelheid weg te zakken, maar dat zou buitengewoon jammer zijn. Het verdient een plaats op het internet.

[10]    Het onderdeel is nog in beweging omdat we overgaan van Nederlandse normen naar Europese, en die laatste staan dan ook weer eens ter discussie.

[11]    In dit type, relatief lichte, wanden is nog steeds ontwikkeling, maar zorgvuldige keuze en uitvoering is noodzakelijk. Het is akoestisch onverstandig om bij de bouwmarkt zomaar wat regelwerk en gipsplaten uit het rek te trekken.

[12]    Vacuümspouwen zouden akoestisch ideaal zijn, maar door de luchtdruk aan de buitenzijden treden geweldige krachten op in bouwconstructies. Om die op te vangen zijn koppelingen nodig tussen de bladen en die doen het geluidisolerend effect dan weer teniet.

L. Nijs, M. van der Voorden, H. Spoorenberg, "De geluidwering van een Vacuüm Isolatiepaneel", Bouwfysica, 2003, vol. 13,  pp. 24-32. 

[13]    Maar in een kantoor met tapijt zweeft, bij een goede keuze, aantoonbaar minder stof dan in een ruimte met harde vloerbedekking.

[14]    Berucht waren lange kanaalplaatvloeren die over een aantal woningen tegelijk werden gelegd. Dan kon het geluid  van een paar huizen verder komen. Om die reden worden ze nauwelijks meer gebruikt.

[15]    Beginners in het vak hebben nog wel eens de neiging om zo'n constructie te vertalen in elektrische termen, waarbij de luchtlaag wordt gezien als ideale isolator. Dat is in de akoestiek helaas niet het geval; de luchtlaag geraakt in trilling en draagt wel degelijk geluidenergie over.

[16]    Vluchtdeuren blijven hier onbehandeld, maar dat wil niet zeggen dat ze geen akoestisch probleem kunnen vormen. In oudere bioscopen vindt men wel vluchtdeuren die (terecht) rechtstreeks op straat uitkomen. Bij een rumoerige straat stelt dat dus hoge eisen aan de vluchtwegen.

[17]    Maar dat geldt voor diffuse geluidvelden. Als de geluidbron zich vlak bij de deur bevindt is aan die voorwaarde niet voldaan.

[18]    Uiteraard heeft een zaal ook vluchtwegen, maar die worden hier niet getekend. Zoals eerder gesteld kunnen die overigens wel degelijk tot akoestische problemen leiden.